(2) Arbeid: vlasbewerking in het verleden

1932 Jules Rommens met zijn zonen: Felix, Modest en Daniêl… glimlachend

Bij de vroegere uitgave “Moen, ons dorp van toen”, werd een beschrijving ingelast over de bij ons verdwenen vlashandel en -bewerking. Nu zou ik een overzicht willen geven over de bewerking en de evolutie die in de loop der jaren in deze sector heeft plaats gevonden, want mijns inziens was ook dit werkterrein voor onze gemeente niet te onderschatten en voor vele gezinnen een belangrijke bestaansmogelijkheid.


Als we even terugblikken weten we dat op onze gemeente een twintigtal bedrijven gevestigd waren, en er ruim honderd mensen hun bestaan vonden, maar een na een verdwenen. Moge deze uitgave ertoe bijdragen de ouderen te herinneren aan dit bedrijf en de jongeren een gedacht geven van wat de vlasbewerking en het harde werk van velen hunner voorouders was.


In de vorige uitgave hebben we getracht een beschrijving te geven van de grondbewerking, het uitzaaien van het vlas, het drogen en het stapelen van het gedroogde vlas in mijten, tot het binnenbrengen in hangaars of schuren, waarna de eigenlijke bewerking van het vlas begint.

De eerste bewerking dat het vlas onderging was het boten, dit is het breken van de zaadbollen (ippes) om zodoende kaf (hip-pikaf) en zaad (lijnzaad) te scheiden. In vroegere jaren gebruikte men voor deze bewerking een reep, dit waren twee stevige planken in hoekvorm met elkaar verbonden. Op de op de grond liggende plank werd de voet geplaatst, de rechtstaande plank was aan de bovenkant voorzien van een tiental op enkele mm. van elkaar geplaatste scherpe ijzeren pinnen met een lengte van tien cm. De toppen van het vlas werden door deze pinnen getrokken om zodoende de zaadbollen van het vlas te trekken. Daarna werden deze zaadbollen geplet of stukgeslagen met een speciale hamer, een houtblok van 15 cm op 10 cm. en 10 cm. dik, voorzien van een gebogen steel van een meter lengte. Aan de onderkant van deze hamer waren er inkepingen of tanden om zodoende de zaadbollen (ippies) beter te kunnen breken. Deze bewerking werd gedaan tot de jaren 1900.

Na die jaren gebruikte men alleen nog de boothamer. Men spreidde het vlas uit in twee rijen, de toppen tegen elkaar, een tiental cm. dik op een verharde vloer, dan sloeg men op de zaadbollen tot deze gebroken waren, dan schudde men het kaf en het zaad uit het vlas en bond men het vlas weer in bundels; zodoende verwijderde men het kaf om opnieuw volgende vlaslaag te kunnen aanleggen. Zo ging het verder tot het einde van de vlasvoorraad, dagen aan één stuk. Zo kunt u zich overtuigen dat het geen makkelijke karwei was.
Deze methode heeft een grondige wijziging ondergaan in de jaren 1920 toen in de bedrijven de mechanisatie haar intrede deed. Bij de grote vlasbazen werd de stoommachine ingevoerd; enkele jaren later de dieselmotoren, nog later de elektrische motoren die een hele ommekeer teweeg brachten in de vlasbewerking. Er werden machines uitgevonden die het boten van het vlas vergemakkelijkten.
Deze eerste machine was voorzien van rollen. Drie rollen die op elkaar draaiden; deze waren dertig cm diameter en zestig cm. lang, zaten op een as en daarop twee houten wielen (polies) gevestigd.

Deze nu waren steunend en glijdend tussen twee staanders aan elkaar vastgekoppeld en voorzien van veren die toelieten de rollen op en neer te laten glijden, dit volgens de dikte van de bundels en tevens toelieten de rollen van elkaar te verwij¬deren en de vlastoppen en zaadbollen te pletten. Deze machine werd aangedreven door een motor.

Na de rolmachine kwam een machine met hamers. Zij was voorzien van hamers (4-6-8) van dertig cm. bij 10 cm. breed en een halve cm. dik. Deze werden vastgemaakt aan een houten lat, op het einde vastgehouden door een as in het midden opgehouden door een veer die verbonden was aan de bovenkant met een krukas die de hamers op en neer in beweging bracht. Deze krukas was zo ingesteld dat de hamers om beurten op en neer bewogen; deze hamers klopten op een houtblok van tien tot vijftien cm. dik, waar de vlastoppen tussen gedreven werden en de zaadbollen geplet.

Bootmachine

Rond de jaren 1940 werd opnieuw een ander werktuig in gebruik genomen, namelijk de reep. Deze machine werkte volgens de oude methode die erin bestond de zaadbollen af te rukken van de vlasstengel en deze werden geplet in een breker (ippie).
Dit was een ovalen ijzeren trommel met inkepingen waar een ijzeren rol in draaide waartussen de zaadbollen geplet werden. Dit was geplaatst op een kafmolen waar het zaad van het kaf gescheiden werd.

Roten


Dit was een korte beschrijving van de eerste bewerking van het vlasboten door de jaren heen.
Na het boten kwam dan de eerste bewerking van de vlasstengel, namelijk het roten of rotten van de vlasstengel.
Daarin zijn ook verschillende perioden en volgens de soorten van het vlas verschillende behandelingen.
In vroegere jaren werden de beste soorten vlas in de Leie geroot (Leierote). Tussensoorten in grote waterputten (Blauwrote) en mindere soorten op het veld uitgespreid (veldrote). In latere jaren kwam het warmwaterroten (of putrote) aan de beurt. Ook deze methoden werden meestal toegepast in onze streken.

Het roten van het vlas bestond daarin het zover te laten rotten tot de bast (het eigenlijke vlas) zich gemakkelijk liet scheiden van de stengel (lemen); zodoende kwam men dan aan het zwengelen, het scheiden van de lemen van het vlas.

Dit gebeurde in vroegere jaren met een soort gebogen kapmes, sikkelvormig, met een handvat, waarmee men op het vlas kapte. Het vlas hield men vast met de andere hand, op een vastgemaakte rechtstaande plank om de lemen uit het vlas te verwijderen.

Zwingelmolen


Rond de jaren 1890 werd deze gebruikswijze meer gemechaniseerd door de uitvinding van de zwingelmolen (wippe) en de cilinder voor het breken van het vlas..
Dit waren twee ijzeren rollen die voorzien waren van in elkaar passende tanden waar het vlas in grepen werd doorgedraaid.


Deze rollen waren voorzien van een vrang, waarmee men de rollen in beweging bracht. Daarna zwingelde men het vlas op een zwingelmolen (wippe). Dit was een ijzeren band of hoepel waar een vijftiental dunne planken (zeilen) in de vorm van lange messen (een halve cm. lang op vijftien cm. breed en een cm. dik) op het einde van het wiel vastgemaakt en deze draaiden langs een rechtstaande plank van anderhalve meter op een halve meter breed en drie centimeter dik, waarop aan de bovenkant op dertig centimeter een langwerpige inkeping was gemaakt van tien centimeter breed en veertig centimeter diep, waar het gebroken vlas tussen gehouden werd en door de draaiende zeilen die op enkele cm. van de plank voorbij flitsten, zo op het vlas lagen en de lemen uit het vlas verwijderden.

Cylinder

Deze draaiende molen werd in beweging gebracht door een krukas, verbonden door twee staven aan twee hefbomen, langs de achterkant vastgehouden aan een as en langs de voorkant twee houtplanken waar men de voeten op plaatste om door het trappen de molen in draaiende beweging te brengen.
De zwingelaar of persoon die deze bewerking deed, moest terzelfdertijd het vlas tussen de zeilen en de plank houden. Zo stonden deze mensen dag in dag uit deze beweging te maken en toen was er geen sprake van achturendag of veertigurenweek.
Deze manier van bewerken werd ook al gemechaniseerd rond de jaren 1900, door aandrijving door stoom, diesel of elektrische motoren zodat de trappers konden weggelaten worden en de machine automatisch in beweging werd gebracht.


Ook op gebied van de gezondheidszorg werd toen ook wel iets gedaan. Het stof teweeggebracht door deze bewerking, werd weggezogen door een ventilator die meedraaide op de as van de zwingelmolen, zodat men op die manier verschillende molens op dezelfde manier deed meedraaien.


In de jaren 1920 werden de vlasturbines in werking gesteld. Men kon aldus het vlas in bundels van een paar centimeter dik inschuiven, zodat het er achteraan gezwingeld uitkwam.
Ook in die jaren werd bij het roten van het vlas een nieuwe manier toegepast door het gebruik van rootputten.
Dat waren betonnen putten waar het vlas in bundels, rechtstaand, twee lagen op elkaar in geplaatst werd, en wanneer deze volgestapeld waren, afgesloten werden zodat er warm water in gelaten kon worden (warm water van een zekere temperatuur zodat het vlas in enkele dagen kon geroot worden).


Na het roten moest het vlas weer uit de putten worden genomen en op de meersen in kapelletjes gedroogd. Ook deze bewerking vereiste kennis en uithoudingsvermogen want dagen aan een stuk in gebukte houding staan om deze kapelletjes recht te zetten ging ook niet zonder inspanning en kennis.
Deze rootputten en zwingelturbines werden verhuurd aan kleinere vlasbazen. Het vlas werd rapper bewerkt zodat het veld- en Leieroten achteruit ging en weinig of niet meer toegepast werd.


Zo heb ik in deze bladzijden mijn best gedaan om u een idee te geven van wat vlasbewerking is geweest in de loop der jaren.


Mogen deze regels voor de oudere lezers heerlijke herinneringen opwekken en voor de jongeren een gedacht geven van wat het vlasbedrijf, het vlas bewerken vroeger betekende, want velen van hen weten misschien niet meer waarvoor en hoe het vlas in onze streek eens een bloeiende nijverheid is geweest.


Daniël Rommens