(3) Herinneringen van Arthur Van Lancker
De oorlogsjaren in Moen 1914-1918
Ik was vijftien jaar toen de oorlog uitbrak, dus noch mossel noch vis. En toch is me al die ellende bijgebleven. De mobilisatie die zoveel verdriet en ellende meebracht, de hartverscheurende tonelen, met het weggaan van man of zoon. En dan de eerste berichten van de weinige dagbladen van toen, die de mensen opzweepten en angstig maakten met de gruwelen aan de grens en Visé, de afgrijselijkste tonelen werden rondgestrooid. En dan die leugen: onze dappere soldaten bedwongen den vijand: de forten van Luik hielden stand, om ’s anderendaags te vernemen dat Brussel gevallen was.
Men voelde het gevaar naderen; men wachtte angstig, zo angstig. Plotseling: een voorpost was in de nabijheid van Kortrijk verrast geweest; er viel een dode, men zei een Duitse prins, tot er op 28 augustus een gans kolonne Ulanen te paard te Helkijn lagen. We gingen zien, van verre, niet te bij; enigen werden hun rijwiel afgenomen.
Toen men op zekere nacht de vijand hoorde naderen: karren, paardengetrappel. Op het hoeveke waar nu Robert Nonkels woont, naar toen leeg stond, hoorde men ze de stallen inbeuken. Wat een angst! ’s Morgens loerde men voorzichtig van achter de gordijnen toen er plots een bij ons binnen kwam. Moeder stierf bijna van de angst, maar hij vroeg beleefd een tas koffie en het ijs was gebroken. En van dan voort ging alles normaal.
En dan kwam die klucht.
Op zekeren dag kwam er een storm van mansvolk af, van Dottenijs en Sint-Denijs enz. De Duitsers pakten al het mansvolk! Was me dat iets! We moesten ook mee. Ik als 15-jarige was fier mee te mogen gaan met al die grote mensen. ’s Avonds waren we weer thuis.
In Otegem werden we door een man met witte vlag toegeroepen. Maar nu kwam alles uit: niet iedereen was weggeweest! De enen meenden gered te zijn met onder een kuip te kruipen, de anderen in den oven, een den regenput in, anderen hadden zich verkleed in vrouwvolk enz. Kortom, er werd daarna veel gelachen, en er werd er zelfs een mooi liedje op gemaakt.
Dit was het begin van de bezetting die nog vier lange jaren zou duren. Natuurlijk lagen alle nijverheden stil: nergens werk, ja toch, bij de landbouwers, die een lastige maar winstgevende tijd zouden meemaken.
Eerste bevel van de bezetters was natuurlijk alle wapens in te leveren en allemaal moest een eenzelvigheidskaart hebben, of een “paspoort”, want voordien bestond dat nog niet. Je had dus een foto nodig en dank zij die verplichting hebben nu nog velen een foto van hun ouders. Voor mij was het de enige foto van mijn vader. Velen, bijna gans Moen trok naar Heestert voor hun foto bij “Lapie Devore” – vraag me zijn echte naam niet – ik weet het niet. Het was een man met een lange baard.
Nu moest al het mannenvolk vanaf 17 tot 50 jaar naar de controle gaan, waar uw kaart werd afgestempeld. Dit was elke week in het gemeentehuis bij Felix Geeraert, waar nu Wde. Jeanne Dendauw woont.
DE BEVOORRADING
Daarvoor heb ik meester Dewijn aangesproken die in het comité zat, die me het volgende heeft laten geworden, waarvoor mijn dank:
Meester Dewijn:
“Gedurende de bezetting eisten de Duitsers veel voedingswaren op, zo kwam er een tekort. De Belgische regering stelde zich in verbinding met Amerika en vroeg ons te helpen. Amerika zou geregeld voedingswaren sturen. De Duitsers lieten dit toe. Daarom werd er in iedere gemeente een comité opgericht dat zich zou bezig houden met de voeding van de gemeente. Eerwaarde Heer Onderpastoor Deschoolmeester nam de taak op zich om zich hiermee bezig te houden.

- Onderste rij, vlnr: Godelieve Brijs – E. H. Deschoolmeester – Charles Verbeke – M. Bayens – Rachel Vanassche
- Bovenste rij, vlnr: Bertha Verbeke – Maria Mijle – Maria Bayens – Richard Herman – nicht van E. H. Deschoolmeester – Georges Dewijn – Valentine Matton – Gabrielle Desmet
Hij trok geregeld naar Kortrijk en trachtte daar voedingswaren te bemachtigen. De oude voerman van Moen, Broos, en zijn vrouw Victorine Cloties met hun kleine camion en oud paard gingen geregeld die voedingswaren ophalen, ’t Was Jules Vandenbogaerde die belast was met het lossen ervan. Alles werd in de zaal Den Tap afgeladen. Die zaal was de hoofdzetel van het comité. Tot dat comité behoorden: Heer Onderpastoor, Valentine Matton, Bertha Verbeke, Godelieve Brys, Richard Herman en Georges Dewijn. De bevolking werd ingelicht en de gemeente moest aan ieder huisgezin een kaart afgeven, met naam en aantal personen. Ieder huisgezin moest een zakje naar Ten Tap dragen om er het meel in te doen. Dewijn en Herman moesten dit zakje van een nummer voorzien. Wij telden boven de driehonderd nummers. Er waren dus meer dan driehonderd huisgezinnen die om meel kwamen. De boeren bleven uiteraard thuis. Dit meel moest gerantsoeneerd worden tot anderhalve tot twee kilogram per persoon. De eerste uitdeling had plaats op een dinsdag om twee uur.
In de voormiddag werd dat meel, tussen de twee a drieduizend kilogram uitgewogen door Valentine Matton, Bertha Verbeke en Godelieve Brys. leder zakje werd gewogen en Dewijn plaatste ze in alfabet in de zaal. Dat wegen duurde drie tot vier uur.

Vlnr: Georges Dewijn – Valentine Matton – Godelieve Brijs – Richard Herman
Dinsdag om twee uur kwam het volk naar Den Tap. Daar was een klein kamertje naast de zaal dat het bureau was en iedereen moest daar binnen.
Daar zaten de heer Onderpastoor, Valentine Matton en Rachel Vanssche om te ontvangen. Ze kregen de prijs van het meel waarop de mensen het recht hadden.
Ze kwamen dan in de zaal en Dewijn gaf hen het zakje. Dan gaven ze hem een nieuw zakje voor de volgende week. Achteraan de zaal was er een winkel waar mejuffer Marie Bayens, Marie Desmet en Godelieve Brys en de nicht van de heer Onderpastoor bestelden. Daar kon men smout, Amerikaans vlees, bonen, rijst, haringen en soms cacao. Op de koer werd er geweldig gedrumd om de eerste binnen te zijn aangezien het geregeld gebeurde dat bepaalde waren uitverkocht waren.
Georges Dewijn en Richard Herman waren alle dagen in den Tap om te werken, temeer dat er een tekort was aan klein geld zodat de gemeente Moen een hoeveelheid bons had laten drukken voor de waarde van 1, 2 en 5 frank, voorzien van een stempel van de gemeente. De vrijdag zaten Dewijn en Herman in de zaal en kwamen de inwoners met die bons en kregen de waarde in geld terug. Alle opgesomde personen die in het comité zaten, moesten dit gratis doen, maar kregen hun eten en soms een extraatje.
Dit duurde zo tot 1918. In september was er sprake dat wij zouden moeten vluchten.

Vlnr: Valentine Matton – E. H. Deschoolmeester – Rachel Vanassche – Charles Verbeke
Achteraan de zaal was er een kelder. De Heer Onderpastoor vulde die kelder met stoffen en allerlei kostbare dingen. Het gemeentebestuur was ingelicht en Eudore Hooghe, gemeentesecretaris kwam met de gemeentearchieven en een hoeveelheid niet gebruikte zegels naar de kelder.
Zelfs de heer Charles Verbeke, toen schepen, kwam met een kistje af, ook voor in de kelder.
De kelder was gevuld en Alidor Mijle, metser van beroep, ging den kelder dichtmetselen. Maar Alidor was ziek, hij had griep, en de kelder bleef open. Dewijn vulde de ingang van de kelder met meelzakken van honderd kilogram en tal van kisten met smout. Hij was volledig gevuld.
Onverwachts kwam het bericht dat we moesten vluchten, en men kon niets anders doen.
De heer Onderpastoor met de familie Vromant en ikzelf naar Brussel.
Op 11 november hadden we Wapenstilstand en heer Onderpastoor stuurde me naar Moen terug om te kijken wat er daar gebeurd was.
Ik kwam te voet van Brussel naar Moen. Die reis duurde twee dagen.
Bij mijn aankomst in Moen was dat gauw bekend en ik kreeg het bezoek van Charles Vanderbeken die kwam vragen naar zijn kistje.
We gingen zien… De kelder was volledig leeggeplunderd en Charles Vanderbeken ging naar Liza Caties om mij aan te klagen aan de legeroverheid. Ik vertrok onmiddellijk weer naar Brussel om alles te vertellen.
Onmiddellijk zocht de onderpastoor een voertuig en wij reden terug naar Moen. Bij mijn thuiskomst kreeg de heer Onder pastoor het bezoek van Charles Vanderbeken; wat daar gebeurd is, weet ik niet.
De Onderpastoor gaf me het bevel de kelder te ontruimen. Al wat ik vond was een briefje van twintig frank. Dit behoorde dus toe aan Charles Vanderbeken en zo vernam ik dat dat kleine kistje geld bevatte.
Een jaar nadien ontdekte den Onderpastoor zijn schilderij “De wonderbare visvangst” te Oostende. Hij kreeg ze terug, van wie weet ik niet. Al het andere was verloren.
Georges Dewijn is de enige die nog leeft van degenen die behoord hebben tot het comité. De heer onderpastoor, Cyriel Deschoolmeester, den baas van het Comité was een zeer streng en niet populair man. Zijn spreuk : “En allemale, over de schreef, geen meel” bestaat nog.
Het kwam zo: er was zodanig keren veel gedrum en geduw tot het de heer onderpastoor op een dag beu was en een schreef trok met krijt, op de vloer, en zegde: “En allemale over de schreve geen meel”. Die spreuk is nog velen bijgebleven.
Nog een anekdote over het comité: Camielke Claerhout was meegegaan met zijn zuster Lena, die ook zijn “pleegmoeder” was. In den Tap stonden er heiligenbeelden op staanders. Mielke die een snuisteraar was, vond niet beter dan een van die staanders open te trekken. En wat vond hij daar? Een hoop chocolade! Peins nen keer: zo’n lekkernij, en in lange niet gezien en nog veel min gegeten. En zonder de wete van Lena, die aan het babbelen was met andere vrouwen, stak hij in haar nette, of kaba, enige pakken. En zich zelf opgevuld waren ze beiden weg! De Onderpastoor heeft moeten laten weten dat hij bestolen was.” (Getuigenis van Meester Dewijn)
DE TOESTAND TIJDENS DE OORLOG
Intussen waren de Duisters ingeburgerd en hadden ze alles naar hun plooi gezet.
We werden ingedeeld in het 4de etappegebied, dus Frontstreek. Niemand mocht nog buiten zijn gemeente zonder paspoort. Ook het kanaal werd afgezet. Elke week naar de controle. De politie, groene gendarmen met plaat op de borst, bewaakten het gewest.
Ook hoorden we in de verte de kanonnen bulderen, aan de Yzer. Moen was in de greep van den oorlog en dit voor vier lange jaren.
Alle nijverheden lagen stil, dus geen werk, onvoldoende eten, want hetgeen wij kregen van het comité was onvoldoende en van slechte kwaliteit: het brood bij voorbeeld kon men aan de muren plakken. Wat gedaan?
Moen trok zijn plan. Hoe?
Eerst eten halen voor eigen gebruik en dan smokkelen. Er werd van alles gesmokkeld: aardappels, graan, paardenbonen en andere bonen, tabak en ook koolzaad en lijnzaad. Dat werd te Moen geperst om zeep van te maken. Dat gebeurde in verschillende huizen. Ook cichoreibonen, die men zelf brandde en maalde; ook poer, ook aardappelbloem, pudding, sigaretten…kortom Moen was een echte fabriek en dat alles moest gehaald en weggesleept worden. Twintig, dertig, veertig kilometers ver, alles te voet, geen wegen die men kon volgen, door het land en dit met 33 kilogram op de schouders, zakken van honderd, verdeeld in drie. Wees gerust, ’t was geen gemakkelijk spelleke.
Natuurlijk, door alles weg te slepen werd alles wreed duur. Dit ten nadele van zij die gebrekkig waren of door ouderdom niets konden doen.
En dan die slag voor mij: vader werd dood naar huis gebracht. Moeder zat daar met zeven zoons. Maar moeder was een hard, sterk vrouwmens. Bij de boeren gaan werken, en van smokkelen was ze ook niet bang.
Tezamen de baan op met allerhande smokkelwaar. We moesten wel.
En dan kwam die grote ramp: 85 mannen werden opgeëist, naar het frontgebied van Frankrijk. Ik was erbij, toen 17 jaar. Die dag zal ik nooit vergeten!
’t Was nog slechter dan de mobilisatie want de mensen waren nu al ongelukkig. Ze werden nu nog hun steun en troost afgenomen.
In Kortrijk aangekomen, in een groot gebouw in de “Weggevoerdenlaan” werd men geteld: boven de duizend. Opnieuw naar huis. Met een aantal Moensen was ik erbij om op 16 december terug opgepakt te worden, wat ik weigerde.
Men dreigde moeder op te halen. Ik ben dan maar gegaan.
Wat men daar geleden heeft, is niet te beschrijven. Honger, koude, slagen, want onze Duitse bewakers waren beulen.
Strenge winter
En die winter van 16-17, de strengste winter sinds mensenheugenis. Dertien weken langs gevroren en gesneeuwd; met dezelfde kleren aan werken en slapen, in een brits van toegebalde schaverlingen; opgegeten van ongedierte, kortom: ’t waren martelaars. Bewijs: er zijn er zes gesneuveld, zonder de zieken te vergeten, die uitgemergeld weer naar huis konden konen.
Twee heb ik er naast mij weten te sterven: Fons Dekinne (?) van Zwevegem in Loan en Spincemale (?) van Zwevegem in Lavigny.
Ook was er te Moen een keren en gaan van Franse soldaten. Zij kwamen hier uitrusten, paarden en rijtuigen werden gestald in de fabriek. Van de soldaten hadden we niet veel hinder, ’t Was slechter gesteld met de veldgendarmen die als gieren achter de smokkelaars zaten. René Vanassche was een slachtoffer. Hij werd doodgeschoten tijdens het smokkelen te Herseaux.
Ook de vluchtelingen uit de Kempen hadden het hard te verduren. Ikzelf mocht een dag in verlof komen, maar ben thuis gebleven. Driemaal weer gepakt geweest, maar weer weggevlucht.
Ook kregen verschillende vrouwen een brief van het front van hun man of zoon, gesmokkeld vanuit Holland. Op Nieuwjaarmorgen in 17 gebeurde een moord: de landbouwer Decock, nu hoeve Vermout, werd vermoord gevonden door zijn meid, bij haar thuiskomst van de mis. De daders bleven onbekend.
In 18 voelde men het einde van de oorlog naderen. Het kanongebulder aan de Yzer werd hoe langer hoe heviger. Sons daverde men in bed. Ook werd het vee dat nog overbleef, door de Duitsers weggebracht, versterkingen werden geplaatst van het kanaal naar Sint-Denijs, met stekkerdraad. Dit gebeurde door opgeëisten. Alle mannen van Moeskroen werden weggebracht; de fabriek lag er vol van.
Wij kregen vier vluchtelingen te slapen uit de fabriek. Ze mochten vlees eten van ’s morgens tot ’s avonds. Hoe kwam dat?
Een kudde schapen en koeien, aangeslagen door de Duitsers kwam aan onze deur voorbij. Moeder vond niet beter dan een ferme vaars bij de koord te nemen, uit de kudde, en haar achter het huis te brengen van Alfred Breda. De Duitsers hadden niets gezien. Bij Breda waar er veel plaats was, werd ze geslacht, en ’t was nu naar vlees eten; wat we gans de oorlog zo ontbroken hadden.
In de Schouwburg gaf de toneelkring van Hendrik Verbrugge een toneelavond voor de vluchtelingen, die dankbaar wierd aanvaard
Ook zag ik plotseling een Brusselaar die nog bij mij in ’t kamp gezeten had van Laon. Toen ik hem de hand drukte, zei hij :”Gij moogt mij niet kennen”. Ik heb toen gedacht dat het een spion was.
De Moeskroense vluchtelingen gingen naar huis, dankbaar zeggende: als u moet vluchten, kom dan maar bij ons. Wie had gedacht dat het ooit zover zou komen?
Kwam nu de grote slag: Moen moest ontruimd worden. Men mocht naar een zeker gewicht meenemen. Men pakte toch maar mee wat men kon, onder de geleide van de Duitsers. De meeste mensen van Moen vluchtten. Doel : Mechelen.
Boeren die nog een paard, os of trekkoe hadden, namen, zover het kon, geburen mede, met hun wagen, en deze namen een driewielkar, en met koorden en ketens trok men het zelf voort; kortewagens, allerhande gerij was goed wat hen kon voorthelpen. Dezen die niets hadden, de sukkelaars, droegen alles op de rug.
Zo trok de trieste stoet naar Mechelen toe; velen bleven onderweqe waar men dacht goed te zijn. Ook werden er vele paarden, ossen of trekkoeien afgenomen door voorbijtrekkende Duitsers.
Ik, met moeder, broers en zusters met Arthur Rigole waren de Duitsers ontweken en sloegen een zijstraat in naar Outrijve. We konden onzen intrek nemen bij Constant Melsen, weduwnaar met dochter; daar kregen we als verblijf de kelder, met gans ons gezin, natuurlijk als er gevaar dreigde.
Bevrijding
Enkele dagen later zaten we in het vuur: obussen vlogen rondom ons huis, Avelgem kreeg een bombardement met gasbomen: honderden doden. Voor ons huis stond er een linde, en daar achter een kanon dat Moen beschoot. Men zag na enkele dagen Moen branden: de kerk en er rond. Als vliegers kwamen overgevlogen zoekende naar het kanon, hielpen we graag camoufleren, want, dachten we, als men het kanon vindt, dan zijn we hier verloren.
Op zekere dag kwam een knaapje van Herpoels over de velden gelopen, roepende dat de Engelsen bij ons thuis waren. Wij aan geen gevaar denkende, met pak en zak over ’t land naar de Engelsen. We hebben geluk gehad dat de Duitsers ons goed kenden, of we gingen gelijk velen doodgeschoten worden.
En aan het huis van Herpoel gekomen, zagen we daar den eerste Engelsman. Onze vreugde was groot. De vrouwen vlogen hem om de hals, maar hij deed dat wij moesten wegkomen.
“Boem, boen, boem” zegde hij en wilde beduiden dat er zou geschoten worden. We waren nog niet heel van de ijzerweg of de obussen vlogen rond onze oren, gelukkig zonder iemand te treffen.
Te Moen door de leegstaande vaart; de brug was opgeblazen. Maar daar moesten we weg, naar Kooigem ; aan den Kooigemsebos vielen er nog enkele obussen.
Op de plaats te Kooigem, waar de kerk ook in puin lag, werden we op een vrachtwagen geladen en werden we naar Moeskroen vervoerd.
Daar vroegen wij naar diegenen die bij ons gevlucht waren en seffens waren ze daar met een stootkar. Die mensen waren heel content hun dankbaarheid te mogen betonen. We werden daar echt vertroeteld, en de dagen die we daar doorgebracht hebben, waren van de schoonste van ons leven. Immers, we voelden ons zo vrij en gelukkig, na die vier jaren oorlog! Eten kregen we genoeg, en geld ook.
De stad Moeskroen heeft waarschijnlijk zijn best gedaan voor de vluchtelingen.
Ook toen we in Moeskroen waren, zijn we eens naar Moen getrokken, want we waren benieuwd. Ikzelf, Victor Vandenbulcke en Arthur Rigole, in Moen gekomen, geen levende ziel te bespeuren. Aan de deur van Verstraetens nu Dr. Crepel, lag het lijk van een Duitser. De plaats lag vol puin: de kerk, het klooster en nog enkele huizen lagen in puin. Achter het hof van Debrabandere, aan de poort van de weide lagen vier Engelsen.
We hadden genoeg gezien en trokken terug naar Moeskroen.
De eerste Belgische soldaat zagen we in Kooigem, een zekere Matton.
We kwamen nogmaals terug op de 11de november met Raymond Vermaut, soldaat die ons in Moeskroen was komen zoeken.
In Dottenijs riep hem een Engels soldaat dat het wapenstilstand was. ’t Was een schonen dag.
Op 13 november waren we weer thuis. We waren natuurlijk van de eersten; alle dagen kwamen er thuis om direct aan hun huis te werken; de ene veel, de anderen weinig. Na ongeveer twee maanden was bijna iedereen weer thuis. Met uitzondering dan van diegenen die achtergebleven waren door griep die dan hevig woedde, of door andere ellende.
NA DE OORLOG 14-18
Moen, wreed geteisterd door de bombardementen herstelde nog rap. Iedereen begon zijn huis op te knappen. Er werd een zijbeuk gereed gedaan van de kerk om mis te doen. Ook voor de rappen Onderpastoor Deschoolmeester werd de kerk weer opgebouwd, want hij had een langen arm.
Na enkele jaren kon men niets meer bespeuren van de wrede oorlog.
Moen bleef ook niet ten achter om hulde te brengen aan zijn oorlogsslachtoffers. Een monument werd te midden van de markt geplaatst; daarbij een vrijheidsboom; de namen van de soldaten, zowel van de arbeiders als van de slachtoffers werden er in gebeiteld. Dit ter ere van allen die gevallen waren of doodgemarteld in de kampen.
Dezen die terugkeerden waren dezelfden niet meer: gedaan met de slaafse onderwerping van voor den oorlog! Ze hadden vier jaar gevochten voor het vaderland, nu zouden ze vechten voor een behoorlijk bestaan. De politieke partijen kwamen te voorschijn. De christenen waren daar men hun machtig syndicaat en bijverenigingen; ook de socialisten met syndicaat, toneel, muziek, enz. De strijd was begonnen voor de 40-urenweek. 1 frank per uur, eenvoudig stemrecht enz…
De Vlamingen waren daar, ook met hun rechtvaardige eisen. Maar jammer ook, de verdeeldheid, men bezag mekaar fanatiek voor hun mening; ’t was nu niet meer de strijd onder de boeren, maar onder de arbeiders. Kortom, de politiek was in vollen bloei, ook de sport…
De nijverheid kwam maar traag op gang maar men werkte aan bruggen en wegen, ook de Bossuitstraat werd aangelegd en verdween meteen het historisch hoekje van die oude rij huisjes met dat van Mielke Fie-Pé.
De eerste 1 frank per uur kwam van Frankrijk, waar er reeds velen gingen werken.
DE NIEUWE NIJVERHEDEN
De Serazanij, waar nu de schone hoeve staat van Pol Dendauw in de Herembodegemstraat, stonden er in 1920/1921 een bos van steenovens, 52 in totaal, van een miljoen stenen elk. Maar op korten tijd was alles opgeruimd en begon men in 1924 aan het bouwen van een grote fabriek voor alle sanitaire artikels, die vijfhonderd vrouwen en mannen zou werk geven, zo zegde men. Een groot gedeelte is er gekomen en verschafte werk aan een 130-tal arbeiders en arbeidsters, maar verder is men niet gekomen. De oorzaak? Sabotage, zo zegt men. Artikels van 1ste klas kon men weinig maken, in alle geval: ze kwijnde weg, en van 1938 werd er maar weinig meer gemaakt en ging ze in faling.
Bekaert Zwevegem kocht ze op, alle gerief en meubels werden ver¬kocht; tijdens de oorlog werd ze met de grond gelijk gemaakt; een deel bleef staan om de hoeve te maken, waar nu Pol Dendauw woont, die er ook later eigenaar van werd. Zo is die schone fabriek, die de mensen zoveel werk zou geven, tenietgegaan.
Arthur Van Lancker, tekst geschreven in opdracht van de Heemkundige Kring ‘Mulnis’