CHRONYCKE VAN MOEN
Den 30 Maarte 1224, Joanna van Constantinopel, vrouw van Ferdinand van Portugal, gravinne van Vlaanderen, verklaart bij openen brieven goed te keuren de scheiding gedaan tusschen de landen haer toebehoorende en degene van Aernout, heer van Audenaarde, door Philippus van Waasten Wouter van Zomerghem en Wouter van Meenen heren Bailliu van Kortrijk en Audenaarde, welke geoordeeld hebben dat de Beek loopende tusschen Avlenghiem en Autryve tot aan de prochie van Moen (waar die Beek heet de Breambeke) de grensscheiding zoude maken.
In Mei 145 werd tot 3° abdesse van ’t klooster van Wevelghem benaamd Christina de Croix. En in 1252 Wouter de Croix (virtute et prosapia clarus) edel van deugd en van afkomst, klemt op den Bisschoppelijken stoel van Doornyk. Beide waren zeker van het doorluchtige geslacht der de Croix nu bezitters van Moen’s oude heerlijkheid.
Als in April 1272, Graaf Guido en zijne vrouw aan d’abdij van St.Aubert te Kameryk eene rente geven, onderteekende onder ander een Jan De Baronaige.
Het is niet zeker of, ja of neen, Maude waarvan Depars aan ’t jaar 1280 ’t volgende zegt, waarlijk Moude of Moen is: Dat jaar, zegt de schrijver, rees er moeilijkheid op tusschen Graaf van Vlaanderen, Guido en Graaf van Henegouw “ter oorzaak van Ressorte van Flobeek en Lessinghe”… Eindelijk werden beide voorgezeide heerlijkheden niet alleen, maar ook Meeren, Pamelen ’t bosch van Nokere, ’t kasteel van Baltyn en Maude (in eene franscke kronijk Haumage de Maude) met al wat er meer van afhing aenkleefde of toebehoorde, aen ’t land en graefschap Vlaanderen bij vonnis toegelegd.”
Den 11 Julij 1302 heeft de vermaarde slag van Groenynche plaats bij Kortryk. De Franschen gansch en g’heel verslegen vluchten deele al Sweveghem, Moen en St.Denys, naar Doornyk.
Op ’t einde ougst 1315, zond Lodewijk X koning van Vrankrijk twee machtige legers tegen onze graaf Robert van Bethune. De Connetabel Gauthier De Chatillon komt op 6 October uit Doornyk de vlaamsche benden te Spiere aantasten. Hij verdreef ze van de brugge die zij bewaarden en vervolgde ze naar de kerk waar zij zich gingen versterken om dat die plaats ze zeer voordelig gelegen was en sterk gebouwd.
Vanuit de veinsters en den toren wierpen zij schichten op de Franschen. Vele Vlamingen werden omhals gebracht, vele gehangen, en ’t is met die gelegenheid dat hij dit jaar, gelijk ’t jaar daarna (22 Jan.1316) zich meester miek van de kasteelen van Helchin en van Moen, dewelke hij eenige dagen bezette.
Den 5 Mei 1320 verdeelde Robert van Bethune zijne sta¬ten tusschen zijne zonen Lodewijk van Nevers en Robert van Cassel. Dit verdrag te Parys gesloten wierd onderteekend onder ander door Eustachius van Bernaige in hoedanigheid van Bailliu.
Het kasteel van Moen werd allichte ook in ougst 1325, ten tijde der inlandsche beroerten van graaf Lodewijk van Nevers, door Jan Van Namen en de gentenaars bezet gelijk al de kasteelen tusschen Leije en Schelde, doch korts daarna door Bruggelingen, aanhangers van Nicolaus Zannekin, ernomen.
In den slag van Cassel (23 Ougst 1328) zien wij eenen Jan De Bernaige vechten met de Franschen tegen de vlaamsche oproermakers, wederspannig aan hunnen graaf Nicolaus Zannekin en Zegher Jansseune, geleiders der muitelingen, zagen er 9000 hunner mannen sneuvelen.
In 1340 had Moen als deel makende van de Kasselrij Audenaarde zijn aandeel mannen te leveren door Jacob Van Artevelde aan de dorpen der Kasselrij opgelegd om naar Doornyk de Franschen te gaan bevechten.
In 1355 stelde Lodewijk van Maele tot Kastelein aan op het slot van Helchin, Jan De Baronaige.
In 1382 wanneer Artevelde Audenaarde met 1OO OOO Gentenaars belegerde, zond hij er 1100 van ten platte lande om de kasteelen der heeren aanhangers van Lodewijk Van Maele te verbranden. Deze staken onder ander het vuur in ’t dorp en in ’t kasteel van Helchin, alsook in ’t omliggende zoo als bij voorbeeld Moen; immers Jan De Baronaige was een der vlaamsche heeren die Audenaarde bewaarden.
’t Is bijzonderlijk met den Geuzentijd die in 1566 begon dat Moen zoowel als al de Vlaamsche dorpen leed. Geene pen is bekwaam om al de rampen die in die nooit genoeg betreurde Religieoorlogen op menschen en dieren, op huizen en landen overvielen, te beschrijven; het zij dan genoeg om in een woorde te zeggen dat Vlaanderen in die jaren tot aan de jaren 1600 als eene ware wildernis door de Ketters gemaakt wierd. Immers de Walen die de Ketters bevochten deden soms niet min kwaad ’t zij om zich te vreken, ’t zij uit natuurlijken drift van oorlogsmannen. In 1573 werd eene eerste ligting van tiende mannen bevolen “gemerckt de rooven, moorden ende ghewelt die dagelicx lancx zo meer ghebeurden van de wederspannighe.”
Op 4 October 1578 vroeg de Geuzenkolonel Frans van der Kethulle heer van Ryhove aan die van Audenaarde om den vijfden man te mogen wapenen en ze naar Moen en Heestert te zenden op dat dit legerken, met den heer van der Vichten aan ’t hoofd, zou tegen de Walen optrekken. Trouwens die kolonel lag alsdan te Avelghem, en de kasteelen van Avelghem en van Autryve waren voor Moen en zijn kasteel eene gedurige en naaste gelegenheid om troepen er te doen gaan en keeren, en om vele onlusten te veroorzaken. Er is geen twijfel of de kerk van Moen in die jaren veel schade van den kant der Geuzen zal geleden hebben, en ’t is niet te verwonderen dat zij in de jaren 1600 bijna gansch moest hersteld en erwijd worden.
In ’t jaar 1664 (1 Augusti) werd te Heestert veroordeeld Joosijne Labins fs Pieters, huisvrouw van Joos Meynfroet om dat zij had “betoovert en doen sterven Andries Raes binnen de prochie van Moen met aan den selven te gheven een stuck van eenen ovenkouke soo zij ten huyse van syn moeder ghe- backen hadt op welcken koecke zij gestroyt ende geleyt hadt van heur voorseyde duyvels poeder.” “Item hebt gy, gheleden den derden kersdag, oock betoovert en ghemeent te doen sterven Marguerite de Hem, weduwe van Jan de Merre, woonachtigh binnen Moen in de kercke deser prochie met de selve aldaer te steken in haere rechte syde, die daervan ook hadde moeten sterven ten hadde gheweest door de hulpe van het belesen van den heer pastor deser prochie ten tyde van neghen daeghen.” (Ita J. B. Cannaert in zijn Oude strafrecht in Vlaenderen.) Als men nu ’t een tegen ’t ander zouden slaan te weten ’t geen hiervoren gaat met dat, namelijk dat op ’t einde van de laatste eeuw of in ’t begin van deze eeuw zekere Labelle, baas van de Sterre, op den Okerdriesch te Moen, den naam had van te kunnen tooveren, alhoewel hij misschien daarmee slechts tot oogmerk had de lichtgeloovige menschen naar zijne herberg te trekken, dit alles dan in aandacht genomen, zou men welhaast beginnen denken dat het niet te vergeefs is dat deze spreuk in omloop is:
Tusschen Avelghem en Moen Waar de tooveressen broen.
Den 29 Mei 1689 overleed te Moen Carel Terrin, ermijte of kluizenaar. Zoo staat in het register der sterfge¬vallen .
Op 17 Juli 1701 sterft te Moen Isabelle …,oud 110 jaren, en op 10 April 1709 Petrus Vandeputte, bijgenaamd Vaux, oud 100 jaren.
Den 13 Maarte 1772 zenden de heeren groote thiendeheffers hunne vertegenwoordigers naar Moen. Zij en de prochie stellen elk 2 bazen aan om de visite te doen circa reparatie aan kerk en toren te verrichten.
De kalsijde van Moen naar Sweveghem wordt gemaakt door Jan Frans Delepaul, meester kalsijdelegger te Belleghem. Moen komt in ’t onkosten voor den westkant, en Heestert voor den oostkant, elk in evenredigheid der lengte waar iedere prochie aan die kalsijde paalt.Op 21 Juli wordt een edict van H. Majesteit publiek gemaakt om het getal en de namen der herbergen op te nemen en de policieklok te doen luiden op gestelde uur. De Balliu en Pointers gelast met dit denombrement, oordeelden van twee tappershuizen ten uitkante gelegen:
“Inutil te zyn aan het publicq ter causen deselve is staande ten uitkante van de plaatse, tnaer en is dienende voor eene schuil- plaetse ofte retraite van de gonne hun maer en soecken ’t ecarteren buyten het gesicht van het publicq, andersints hun amuseren buyten den ordinairen tijd”.
In buitengewone zitting van 10 en 31 Mei 1782 is besloten een deel der kalsijde van Moen naar St-Denijs te maken, te beginnen aan het schepenhuis tot bij den molen gebruikt door Pieter-Frans De Bosschere, op eene lengte van 228 kleine roeden. De aannemer Frans Pauwels, van Sweveghem, kreeg er voren 215-9-0 pond paresis.
Met het uitbreken der Fransche Revolutie in 1792 richt men op en doet men excerceren te Moen een “corps patriotique”. De kasselrij van Kortrijk droeg 5/6, en deze van Audenaarde 1/6 der onkosten. De kolonel was J.-B. Messiaen.De roobroeken komen voor 20 jaren meester spelen van ons land. Moen is in requistie gesteld voor 22 zakken graan, en voor 2 peerden die, met 2 idem van elders, moesten bespannen zijn aan eene wagen door de streke zelve te leveren. Martin Mullie en weduwe Pieter-Jacques Busschaaert, van Moen, gaven elk een peerd, Heestert een peerd, en St-Denys een peerd en eenen wagen. Die wagen aldus bespannen en geladen moest tegen den 5 April 1795 aan ’t huis van Marcelli in de Rijsselstraat te Kortrijk staan.
Den 25 Germinal jaar III der Republiek (14 April 1795), 14 wagens geladen met 135 rasieren tarwe, rogge , en 45 rasieren haver in bestemming voor Doornijk, voorbijgaande te Moen in gezelschap van 2 hussaards, werden ter plaatse Moen geplunderd. Twee dagen later kwamen de Commandant de place Couthaud en de agent nationaal Hovyn van Doornik met 10 Huzaren eens enquête doen te Moen, 5 van de 10 Huzaren bleven ter prochie tot 16 Mei. Men ondervond dat de plunderaars gedeeltelijk van Heestert, maar meest van allen van Moen waren. 33 zakken werden weegegeven. Gansch die zaak kostte aan het gemeente 129 pond of circa 774 fr.Op eenen dag van dit jaar hoort men plotseling tot in de Moreillestraat, op eenen afstand van eenen kilo¬meter, een donderend gedruis, ’t Was de toren van ’t Kasteel van Moen, staande naast de ingangspoort, die instortte.
In 1B16 borstte er een geweldige hongersnood uit, met die plaag bedreef men vele dieften en andere baldadigheden. Wat gedaan? Men stelde te Moen nachtpatrouillen in om te waken, welke door den winter tusschen 1817 en 1818, eenen kost veroorzaakten van 97 guldens 33 cent.
Er is questie van een gevang te metsen tegen den kerkmuur ter lengte van 1 elle, 6 palmen, ‘ streepen, ter breedte van 1 elle, 2 palmen, 5 duimen, en ter hoogte van 1 elle, 9 palmen, 3 duimen op de dikte van 1 1/2 steen. Den 8 Ougst dito bieden Jan Nolf en Jacobus Crepel een bestek aan van 50 guldens en 70 cent. Maar dit werk wordt 5 of 6 jaren uitgesteld tot dat het gemaakt wordt op eene geschiktere plaats, daar waar nu de gemeenteschool staat, en ‘t welk in 1865 verdween wanneer die school nieuwgebouwd werd .
Den 25 September 1830 komt aan te Moen eene brandspuit kostende 160 guldens, welke spuit de gemeente zich verschaffen moest ingevolge besluit zijner Majesteit van 28 October 1827, en der Provincie van 3 September 1Ö2«.
Den 16 December 1854 wordt de soumissie van J.-B. Devos, van Kortrijk, 21 582 fr. 39 c. aanbiedende voor eene kalsijde te leggen van Moen naar St-Denijs, goedgekeurd. Die kalsijde wordt gelegd in 1855 en 1856, op 13 October 1856 kondigt Devos dat hij de Receptie der voltrokkene werken zal komen aanveerden, dat is te zeggen den stempel op alles leggen en aanzien als voleind.
1857-1859. In 1857 begint men te meten op de landen voor het aanleggen van de nieuwe vaart Kortrijk op Bossuijt. ’s Nachts worden door kwaadwilligen de haak-stokken dienende tot dat meten weggeworpen, zoodanig dan de Districtskommisaris Conscience moest klacht indienen. Die vaart trekkende door Moen op gansch de lente der prochie, was opgemaakt in 1859. De heeren Parent, Schaeken en Adam waren er de concessionnairen van, M. Bastyn was de aannemer. De vaart te beginnen aan de Orveytkappelle loopt te Moen door eenen tunnel of duiker gemaakt onder den Orveytbosch op eene lengte van bijna een kilometer. Boven dien tunnel loopt de trein der spoorwegs.
Die spoor- of ijzerweg werd voltrokken in 1868, rijdende op den grond van Moen, waar er eene statie is, en stellende dit dorp in betrekking met Kortrijk en Ronse.
Moen bekomt een Post-Bureel gevestigd aan de statie des ijzerweg.
BIERRE,’T OUD GRAAFSCHAP VAN MOEN, 1875