De Heerlijkheid van Bavegem

DE HEERLIJKHEID
Over het ontstaan van de grafelijke leenhoven in Vlaanderen bestaat weinig wetenschappelijke literatuur.
Feit is dat reeds in de Hoge Middeleeuwen de grafelijke heerlijkheden juridisch en administratief ondergebracht werden in een aantal hoven o.m. het leenhof van Kortrijk, de stenen Man te Oudenaarde, het leenhof van Dendermonde, de baronie van Pamele e.a.
Bavegem, gelegen op de grens van de Kasselrij Kortrijk, ressorteerde onder den hove en den bourg van Nienove (1). Dit domein bezat het statuut van heerlijkheid d.w.z. een fonciergoed van 13 bunder (+- 19 ha.) en justitierechten
nl. het hoog, middelbaar en laag rechtsvermogen.
Principieel betekent dit dat de titularis van de heerlijkheid zijn onderdanen mag berechten in alle civiele en criminele zaken (2). Hij mag de misdadigers bij ernstige misdrijven uit Vlaanderen verbannen; hij heeft het recht op een tol, op gevonden goederen en op de erfenissen van bastaarden; dit alles vanzelfsprekend binnen de begrenzing van het domein. De tol bestaat in de heffing van een stuiver (eenen penninck) op ieder paard, koe, schaap of varken dat het hof voorbijkomt.
Indien de paarden geladen wagens trekken, is de som iets hoger (aanduiding van het precieze bedrag ontbreekt). Tot de heerlijkheid behoren 15 lenen, die zich in de omgeving van Bavegem uitstrekken. Merkwaardig is het ontbreken van een leenhof.
De feodale aangelegenheden zoals de aan- en verkoop van lenen, worden waargenomen door een schepenbank van 7 mannen, waarin waarschijnlijk ook leenmannen zitting hebben.
Het schepencollege kan het juridisch statuut van de gronden wijzigen d.w.z. het kan leengrond omzetten in cijnsgrond en omgekeerd. De baljuw is voorzitter van het schepencollege en hij beschikt over een stedehouder en een prater (veld-wachter) .
Tot de heerlijkheid behoren een groot aantal cijnspercelen, die in 1523 volgende opbrengsten verzekerden aan de eigenaar: 24 s.par. in geld, 7 rasieren witte haver, 23 kapoenen (haantjes), 28 kippen, een gans en 60 eieren. (5) (Lees verder in de rechter kolom)

DE EIGENAARS
Het is bekend dat reeds in de hoge Middeleeuwen leden uit de gegoede burgerij en edellieden grote heerlijkheden uitzochten om hun geld te beleggen. Bavegem was in de 15de eeuw dan ook niet meer de eigendom van inwoners van het dorp zelf.
In het begin van die eeuw was Bavegem in het bezit van Wouter van der Moten, afkomstig uit een Oudenaardse patriciërsfamilie (6). Zijn vader was heer van het goed Ter Biest in Ingooigem en hij zelf bezat in 1440 het recht de volle wapenuitrusting te dragen zoals zijn voorgangers, wat voor die tijd misschien wel niet meer wijst op een adellijke afstamming, maar dan toch op een milieu van ridders (7). De zoon van Wouter Van der Moten, Willem genaamd, heer van Bavegem (1462) was herhaaldelijk schepen van de stad Oudenaarde. De broer van Willem, Jaspart Van der Moten, verkreeg Bavegem – waarschijnlijk na het overlijden van Willem en gaf deze in 1471 door aan zijn neef Daneel Illoers (8) . Daneel Illoers , zoon van Godefroot, was in 1471 schepene van Oudenaarde en in 1479 stadsontvanger (9) . Hoogstwaarschijnlijk’ was deze Daneel Illoers gehuwd met een lid uit het geslacht Van der Moten. Zijn dochter, Catelyne Illoers, bracht door haar huwelijk het domein Bavegem in de familie Van Lummene, gezeid van Maercke, eveneens een van de prominente families van Oudenaarde (10). Cathelyne Illoers en haar man Jooris van Lummene fs Jooris, liggen begraven in de Sint-Walburgakerk te Oudenaarde. Op hun grafschrift kan men lezen:
“Hyer licht begraven edele ende weerde Jooris van Lummene, gheseit van Maercke, fs Jooris, heere van Hemsrode (+2 oct. 1555) en Jonckvrouwe Cathelyne Illoirs, fa Daniël, vrouwe van Bavegem.” (11)
Genealogisch kan de tafel als volgt worden samengesteld :

Jooris van Luitunene en Cathelyne Illoers gaven hun heerlijkheid Bavegem door aan hun zoon François, heer van Gyzegem, Hemsrode, Bavegem, Triest (in Bavikhove en Wielsbeke). Deze “sinjeur” was tevens heer van tal van kleinere heerlijkheden zoals deze van Ter Beken (rente in Anzegem); de heerlijkheid van der Schueren (Anzegem), Stuvegem (Volkegem) en Bakeland (Waregem).(12) Frans van Lummene huwde eerst met jonckvrouw Marie van Waergny, waarmee hij een zoon had, Jooris van Lummene. Na haar overlijden trad hij in het huwelijk met Cathelyne van Hembize, dochter van jonckheer Jan. Een van de kinderen uit dit laatste huwelijk, Jan van Lummene, verwierf Bavegem.


Op het einde van de 16de eeuw geraakte Joris voornoemd in erge financiële moeilijkheden, zodat hij verplicht werd heel wat eigendommen en renten te verkopen. Zo moest hij 14 159 1b. par. betalen aan zijn broer Jan, heer van Bavegem, schuld die hij onmogelijk kon inlossen. (verder in de rechter kolom)


Er werd op 5 januari 1597 overeengekomen de som om te zetten in jaarlijkse hypothekaire aflossing omme te verhoeden sijne totale ruyne. (13).
Bavegem bleef gedurende geheel de 15de en 16de eeuw in handen van drie families: Van der Moten, Illoers, Van Lummene, die alle door huwelijk van elkaar verwant waren.
De lijst van de bezitters van Bavegem ziet er als volgt uit:
1438 Wouter van der Moten, zoon van Willem en Cateline Pennincs.
1462 Willem van der Moten, zoon van Wouter. Kort na 1462 zijn broeder Jaspart van der Moten.
1471 Daneel Illoers en jonckvrouw Margriet van der Brugge.
1579 Frans van Lummene en jonckvrouw Cathelyne van Hembize.
1597 Jan van Lummene, zoon van de voorgaande drie Pachters.
Wij beschikken slechts over een vijftal contracten uit de 15de en de 16de eeuw. Het oudst dateert uit 1438.(14) Toen was Olivier Volke de uitbater.


Uit de akte blijkt dat hij reeds pachter was in 1429. In 1447 werd hij opgevolgd door zijn zoon Ingel Volcke. Het volgend contract dateert uit 1527. Op 17 laumaand (januari) van dat jaar pachtte Olivier en Frangois Garemyn het behuyst pachtgoet voor de duur van 9 jaar. (15) Het pachthof was toen 14 bunder d.i. 20 ha. groot. De pachters zouden hun pachtheer Jooris van Lummene jaarlijks 132 1b. par., 1/2 mudde koren en 1/2 mudde haver betalen. Het contract voorziet in een verblijfplaats voor de pachtheer zelf, hij vermaeh te comene wonene in eene aamere ende hebben eenen solder.
De baljuw moet ieder jaar op de hofstede de rentezitting houden en het graan op de zolder opslaan. Om onbekende redenen vond dit contract geen doorgang want het jaar nadien kreeg Bavegem nieuwe pachters: Pieter en Jan De Mets, zonen van Jan, en Lauwereins Rooze. (16).
In 1536 is Lauwereins Rooze waarschijnlijk overleden en vervangen door Jan van de Putte fs Jan. De pachtvoorwaarden zijn aan de deflatie van toen aangepast: 144 1b. par. i.p.v. 132 1b., een volle mudde tarwe en haver i.p.v.een halve (17).


Tussen 1536 en 1556 verdwenen Pieter De Mets en Jan van de Putte van de hoeve. Het pachtgoed werd in die periode gebruikt door Jan De Mets en Jan Stalins. Alhoewel het hier om verschillende patronymen gaat, is er toch een nauwe familieverwantschap onder de pachters. Jan Stalins, pachter van Bavegem, had een broer ook Jan Stalins genoemd, die het pachthof Ename te Bossuit uitbaatte.(18). Deze laatste was gehuwd met een dochter Van de Putte (!). Te Outrijve woonde een andere verwant, Pieter Stalins, wiens dochter Lysbette gehuwd was met Lauwereins Rooze.(19) In 1556 heetten de nieuwe pachters Domyn en Jan Rydom, zonen van Pieter. Domyn Rydom was gehuwd met Grietken Stalins, dochter van boververmelde pachter (!) (20) Jan Rydom, pachter van de hofstede “Ten Roden Duufhuuse” d.i. de eerste hoeve, die men te St.-Denijs aantreft als men Bavegem verlaat, was gehuwd met Jacqemyne Rohart, dochter van Jan en van Wouburghe Libbrecht. (21). Deze familie Rohart was op haar beurt verwant met de ‘clan’ Stalins uit Bossuit, want de zuster van Wouburghe Libbrecht was gehuwd met Geert Stalins, zoon van de pachter van de hoeve Ename.
Genealogisch steekt dit als volgt in mekaar:

In 1556 moeten de pachters 192 1b. par. betalen en twee mudden mesteluin – een mengsel van tarwe en rogge – en één mudde haver leveren. Voor het overige loopt het contract parallel met de vorige.
De Baljuw moet jaarlijks rentezitting houden; de pachters moeten jaarlijks de rente inlossen waarmee de heerlijkheid belast is t.o. van de heer van Moen en van Arent Van der Cruuse.
Het is de pachters verboden mest te verkopen (i.p.v. het in de akkers te verwerken) en het drieslagstelsel moet strikt nageleefd worden (veranzaedinghe is verboden).
De stijging van de pachtprijs kan men in volgende tabel volgen:

VOETNOTEN


1 S(tads) A(rchief) O(udenaarde), Staten van goederen, deel 14,
Fo 232, 22 hoymaand 1523.
2 Met uitzondering van misdaden die voorbehouden zijn aan de keizer, bv. majesteitsschennis, muntvervalsing e.a.
3 Volgens het principe dat ‘gelijken gelijken berechten’ zijn alleen leenmannen bevoegd in feodale zaken, terwijl de cijnsplichtigen bevoegd zijn inzake cijnsgronden.
4 Het schepencollege bezat een renteboek met vermelding van de cijnspercelen, die zich in de parochies Moen, Bossuit en Sint-Denijs uitstrekten.
5 1 1b. par (pond parisis) is 20 schellingen en 240 denieren waard. 24 schellingen vertegenwoordigde dus 1 1b. par. en 4 schellingen. Met 24 sch. par. kon men niet eens een schaap kopen in die tijd, en men moest ongeveer 5 keer zoveel geld neertellen voor een weefgetouw (prijzen uit de eerste helft van de 16de eeuw). Wat de maten en gewichten betreft volgen we de normen van de Kasselrij Kortrijk. Hier is
1 mud = 12 rasieren = of 6 zakken = 6 x 1.08 hl. (+70 kg.); 7 rasieren is dus +, 3 zakken of ca. 3.50 hl. of ca 300 kilogram. Vraag is of men de Kortrijkse maten en gewichten volgde, want er is herhaaldelijk sprake van een ‘hofsche’ mate, d.w.z. een maat- en gewichtssysteem eigen aan het hof van Bavegem.
6 S.A.O., Register van Weezegoederen (1427-1443) f° 147, 1 april 1438. Pachtcontract van Olivier Volcke.
7 S.A.O. Acten en Contracten, deel 1 f° 28. Gillis van der Moten, broer van Wouter van der Moten, zal de heerlijkheid Ter Biest overnemen. De afstammelingen van Gillis van der Moten en Jonckvrouw Marie van Heume, zullen in de 16de eeuw de titel van heren van Ingooigem dragen. In de standaardgenealogieën kan men deze familie terugvinden onder de naam De la Motte, ten onrechte daar het om een authentieke Vlaamse familie gaat.
8 S.A.O., Fonds Verkopingen en Verhuringen, deel 30 f° 230, 2 maart 1471. Op die datum betaalt Daneel Illoers zijn neef Jaspart van der Moten uit. Hiermede laat Jaspart zijn verdere aanspraken op Bavegem varen.
9 Zie Handschrift DE RANTERE, deel I., schepenlijst. Het handschrift berust in het archief van de dekenij te Oudenaarde.
10 S.A.O. , Acten en Contracten, deel 48 f° 155, 1 dec 1558.



Rik Castelain, 1 mei 1980