De Moense Heksenspreuk in breder perspectief

Inleiding

“Het was vooral In de XVe en XVIe eeuwen dat er noodlottige gevolgen des oorlogs werden beproefd. By het uitbarsten van den kryg tusschen Gent en hertog Philips den Goede, ontstond er zulke grote vrees onder de arme boeren en landslieden, dat de meesten, op aanraeden van den bevelhebber der Audenaersche sterkte, Simoen van Lalaing, al hun draegbare goed binnen Audenaerde bragten, om het in de hardnekkige worsteling niet te verliezen. Deze voorzorg was niet overbodig, want in de maend april van hetzelfde jaer, toen de Gentsche benden in de kerk van Spierre waren geweken, daer zy belegerd werden door de Bourgondische troepen, terwyl de graef van Estampes naer Helkyn trok had de gansche omtrek niet weinig van den overmoed des vreemden uit te staen.

Tydens de religietroebelen der XVIe eeuw ging het er nog erger. Eene eerste ligting van tiende mannen werd bevolen in 1573, “GEMERCKT DE ROOVEN, MOORDEN ENDE GHEWELT DIE DAGELICX LANX ZO MEER GHEBEURDEN VAN DE WEDERSPANNIGHE”; In 1579 werden niet min dan acht dorpen door de misnoegde Walen der Meenensche bezetting op brandschatting gesteld, hoe wel nog het jaer te voren, op bevel van Gent, eene tweede ligting van den tiende man in gansch het Audenaerdsche was gedaen geweest, om “HET VADERLANDT TEN BESTE TE PRESERVEREN TEGEN ALLE INVASIËN ENDE INBRAEKEN VAN DEN VIANDT’. (1)

… De troepen des Konings dachten alle middelen uit, om het verarmde landvolk af te persen, en moedwillig te tergen. Het scheen, ja, dat zy op hen de nederlagen wilden wreken, die de Spanjaerden in het noordlyk deel der Nederlanden hadden te lyden. De soldaten van de bezettingen te Kortryk, Harelbeke, Audenaerde en andere plaetsen, deden dag aen dag uitvallen op de dorpen der kasselry, en roofden er al wat zy maer konden bergen of medeleiden: paerden, vee, ja de pachters zelven en ander begoede lieden, hen dwingende een aenzienlycken losprys te betalen, en diegenen op de pynbank brengende, welke weigerden aen hunnen eisch te voldoen”. (2)

… In zulke omstandigheden, kon de landbouw, schier eenige hulpbron voor de ingezetenen, niet vooruit. De akkers plat getrapt door de legertogten, de helft der landen onbezaeid, de weinige vruchten op den stam moedwillig geschonden, paerden en vee, brood en leeftogt geplunderd, mannen weggevoerd, anderen op de vlugt gedreven, de gemeenschapswegen onveilig gemaekt, inzonderheid door de wapenlieden van Autryve en ’t kasteel van Avelgem: dit alles moest de nood en ellende ten top doen stygen. By al dien ramp kwam nog eens verschrlkkelyke pest de bevolking rap verminderen en tot overmaet van beproeving, moesten, als een noodwendig gevolg der binnenlandsche beroerten, alle misdaden en overtredingen ongestraft blyven. In jaren (zoo kloegen de wethouders] was in geen dorp van de kastelry eenig regt kunnen uitgeoefend worden; de plaetselyke orde en regeltucht was te niet; volkomene afwezigheid van beteugelend en voorkomend gezag, gepaerd aen tot het uiterst gedrevene baldadigheid – welke rampspoed, welk diepe bron van onheilen voor eene aen rust en bedryvlgheld gewende bevolking! Met vreugde werd dan ook elndelyk ten jaren 1583, over het geheele gebied der kastelry de tyding vernomen, dat de Raed van Vlaanderen aen de wethouders den oorlof verleende om de justicie voorloopig binnen de stad Audenaerde te doen uitvoeren”. (3)

De vrede welke het land onder het bestuer van Albert en Isabelle en onder de opvolgende regeringen genoot, liet aen de plattelandsche bevolkingen toe zich uit de geledene rampen op te beuren en de verliezen te verstellen. Landbouw en veeteelt werden te Moen met meer kennis en vlyt dan ooit te voren verzorgd, en verschaffen aen de ingezetenen eenen welstand, die tot heden mogt voortduren”. (4)

Aldus het relaas van Frans De Potter In zijn “Historische schets der gemeente Moen, voortyds “De Heerlykheld Mouwe”, Gent, 1863.

Meteen is de achtergrond geschetst van de tijd, de omstandigheden en de oorzaken van deze periode in de geschiedenis waarin de heksen op een nooit voordien geziene manier vervolgd werden. Het hoogtepunt van deze heksenjacht situeert zich immers in de Nederlanden tussen 1590 en 1660. Vreemd genoeg is het heksenproces van Joosynne Labyns, die in Heestert woonde, te situeren na de elders al uitgedoofde heksenwaan en lijkt o.m. dit proces een van de nog late “naweeën” van deze heksenpsychose annex – verbranding. (5)

Dat de spreuk ‘Tussen Heestert en Moen, waar de toveressen broen” nu nog steeds zeer bekend is, ligt vermoedelijk aan het feit dat deze spreuk geciteerd werd in de vroegere publicaties over Moen. Mede ook omdat van de vele heksenprocessen dat van Joosynne Labyns als “typegeval” kan doorgaan, en het langst in het geheugen bleef, omdat het inderdaad een van de laatste opzienbarende processen was in de streek, dat totnutoe door historici werd behandeld. H. Bierre brengt naast het proces “Joosynne Labyns” ook nog de baas van een herberg, ene Labelle van de Sterre, in verband met de spreuk. Hij had volgens hem de naam te kunnen toveren, ook al schrijft hij vergoelijkend dat het wellicht was om “lichtgeloovige menschen naar zijne herberg te trekken”. Tekenend voor zijn interpretatie is dat in dit geval de man in kwestie nobeler doelstellingen had dan zijn vrouwelijke collega’s.(6)

Tussen Heestert en Moen bestond een band die in de spreuk tot uiting komt, wat ook blijkt uit het proces van Joosynne Labyns, aangezien zij in twee gevallen haar geheimzinnige toverkracht in Moen in de praktijk had gebracht. Het zal dus geen toeval geweest zijn dat beide gemeenten in één en dezelfde spreuk voorkomen, alhoewel, zoals we later zullen aangeven, nog andere gemeenten in variaties op de spreuk gebruikt werden/worden. (7)

Nemen we dus het proces Joosynne Labyns als “case” en uitgangspunt voor een benadering van het fenomeen “heks”. Verkeerdelijk werd zij o.m. beschreven in “De Kortrijkse Asklepiaden” als woonachtig in Moen. Verwarring omtrent haar actieterrein in Moen en de alom geciteerde spreuk, is vermoedelijk oorzaak van deze onnauwkeurigheid.

In hetzelfde werk wordt overigens ook nog verwezen naar het proces van Gallina Depraetere uit Moen, echtgenote van Jozef Reys die door de rechtbank van Gent van hekserij en omgang met de duivel werd beschuldigd. Wij konden tot op dit moment geen historische bron vinden die hierover meerdere significante gegevens biedt. Toch zou het in ieder geval voor de toekomst in deze richting kunnen zijn dat verder onderzoek wordt gedaan naar de vraag of eventuele heksenverbrandingen zich ook in Moen hebben voltrokken, om aldus een historische basis voor de spreuk ‘Tussen Heestert en Moen, waar de heksen broen” hard te maken. (8)

We houden het voorlopig in dit bestek bij de al bestudeerde heksenprocessen, die op een of andere manier in wetenschappelijke publicaties aan bod komen, in de hoop dat wij in de toekomst op het spoor zouden komen van processen die op Moense heksen zouden slaan.

TAALKUNDIGE BENADERING

We kunnen niet ontkennen dat de varianten op de spreuk groot zijn.

“Heestert en Moen, waar de toveressen broen”, “Tusschen Heestert en Moen, waar de tooveressen broên” (10)

‘Tussen Avelghem en Moen, waar de tooveressen broen”,

‘Tussen Becelare en Moen, waar de tooveressen broen”, enz.

Er is evenwel één constante, nl. “Moen”. Nogal voor de hand liggend, aangezien Moen op “broen” (broeden) rijmt – wat bij het mondeling overleveren als geheugensteuntje belangrijk was. Toch lijkt het te eenvoudig dit gegeven als enig uitgangspunt te nemen. We mogen immers aannemen dat er inderdaad naast dit taalkundig aspect ook nog een historisch feit ten grondslag ligt van deze volkse spreuk. Gezegden, spreuken, weerspreuken, spreekwoorden e.d.m. stoelen immers op een “volksgeloof’, op een “algemeen aanvaarde volkswijsheid”, wat ook voor deze volksspreuk geldt. M.a.w. mocht Moen er helemaal niks mee te maken hebben gehad, dan zou de volksmond zelfs niet tot die spreuk gekomen zijn of er zou een totaal andere spreuk ontstaan zijn. (11)

In dit taalkundig kader is het een leuke eigenaardigheid dat de in de heksenprocessen aangehaalde namen van duivels, er in Tongeren een duivel de naam “Moen” kreeg, naast o.m. in andere streken Barlebas, Qualick gebrast, Lichtvoet, Steert-aff… en ander moois. Maar verder wijst niets op enig verband tussen deze duivelsnaam en Moen zelf. (12)

Deze spreuk duidt echter ook aan dat de heksenvervolging niet alleen qua periode al dan niet heviger werd, maar dat er ook nogal wat verschillen waren van streek tot streek. Dat de heksenvervolging evenwel een typisch plattelandsverschijnsel was, wordt ook bevestigd door het aantal teruggevonden heksenprocessen, terwijl toch ook vaststaat dat ze zich ook voordeden in steden. Een studie over de Brugse heksen heeft dit o.m. bevestigd. (13)

Hebben we het ten slotte nog over het woord “broen”. Ethymologisch komt het woord van “broden”, oud-Engels “brêdan”, oudhoogduits “bruaten”, en dus een afleiding van “broed”, “gebroed”, “het broeden”, dat een dentaalafleiding is van de in “broeien” optredende wortel “bhrê”, bhrö, waarmee ook “braden” samenhangt. (14)

Ten slotte mogen wij erop wijzen dat weinig steden of gemeenten het voorrecht hebben “getypeerd” te worden door een spreuk, die weliswaar geen algemeen menselijke boodschap uitdraagt, dan toch verwijst naar een uitzonderlijk intrigerende periode in de geschiedenis. (15)

ACHTERGRONDEN

Joosynne Labyns dus, die had “betooverf en doen sterven Andries Raes binnen de Prochie von Moen met aen denselven te gheven een stuck van eenen ovenkoecke, soo gij ten huyse van sijn moeder ghebacken hadt, op welcken koecke gij ghestroyt ende gheleyt hadt van uw duyvelspoeder” liet als een van de laatste heksen het leven op de brandstapel: na wurging werd ze verbrand. (16)

Naast de vele haar aangewreven “bekentenissen”, had zij blijkbaar een nogal uitgebreid werkterrein, maar in Moen bleef het een tweede keer bij een “moordpoging”: “item hebt gij gheleden den 3den Kerstdag, oock betovert en ghemeent te doen sterven Margaerite de Hem, weduwe van Jan De Merre woonachtigh binnen Moen, in de Kercke deser Prochie, met deselver aldaer te steken in haere rechte sijde, die daervan oock hadde moeten sterven, ten hadde gheweest door de hulp van het belesen van den heer Paster deser prochie ten tijde van negen daeghen” (vonnis van 1 augustus 1664). (17)

Naast Joosynne Labyns, stierf ook nog Ellsabeth de Rode (vonnis van 9 september 1659: na wurging, werd ze verbrand). Marie van der Brugghe (23 augustus 1660: geseling, verbanning en betaling van de proceskosten) ontsnapte aan de vuurdood maar Catharina de Craene (vonnis 18 mei 1676) werd ook na wurging verbrand. (18)

Met de ogen van mensen van de eenentwintigste eeuw, lijken deze vonnissen haast onbegrijpelijk. Meer zelfs, als we de manier van vonnis vellen van naderbij bekijken, heeft deze hele heksenvervolging die zich afspeelde in een periode waarbij de aanzet werd gegeven naar de moderne tijden, veel middeleeuwse trekken. Voeg daarbij dat de grote bezielers achter de heksenjacht ook nog eens tot de intelligentia behoorden, dan is het te begrijpen dat het volksgeloof aan heksen, groot was en onze ontsteltenis overweldigend bij het bestuderen van zo’n stukje menselijke (!) geschiedenis.

Laten we de heksenwaan niet te eenvoudig verklaren alsof de overheid zich rijk maakte met de verbeurd verklaarde goederen van de gevonniste heksen. De meeste heksen waren arm, en de opbrengst van de nagelaten goederen was niet toereikend om de proceskosten te betalen. En dat zij uit protest tegen de maatschappelijke geplogenheden opstonden, de revolutie preekten, is nergens historisch bewezen. (19)

Gemakshalve zou men kunnen beweren dat deze heksen inderdaad gedaan hebben tot wat ze in staat geacht waren, zoals beschreven in de vonnissen, met het door de lucht vliegen op bezems, tot het deelnemen aan heksensabbatten. We mogen aannemen dat de beschrijvingen van bovennatuurlijke gebeurtenissen onder zware tortuur werden afgedwongen, daarbij gestimuleerd door de insinuerende vragen van de rechter. Net zoals sommige beelden van hedendaagse filmmakers alle verbeelding tarten, zo zal het ook wel geweest zijn dat de op hol geslagen verbeelding van de heksen uit die tijd debet zijn aan deze onvoorstelbare verhalen. Ten andere, waarom zouden die heksen vandaag de dag vliegverbod gekregen hebben? De hedendaagse heksensabbatten met seksueel gefrustreerden zijn zonder meer zachte afkooksels van wat er zich toen afspeelde in een heksensabbat. (20)

Uit de beschrijving die we in de inleiding lieten voorafgaan, is het zonder meer duidelijk dat de socio-economische achtergrond een gegeven was dat voedsel bood aan het geloof in hogere machten die het leven beïnvloedden. Rampen, oorlogen, godsdienststrijd, pest, kindersterfte en ander onheil waren een vloek, en iemand, iets, een niet-menselijke kracht moest daar oorzaak van zijn. Daar waar de menselijke geest geen verklaarbare oplossing voor kon vinden, zouden de duivelse machten de oorzaak zijn van wat er allemaal als onheil over de mensen gestort werd. De zondebok werd gezocht en zou gevonden worden.

Alhoewel de mens steeds in vreemde krachten had geloofd, en heksen en tovenaars door het volk geraadpleegd werden, om ziekten te genezen middels kruiden en zalfjes, om onheil te voorkomen, en zelfs ook vorsten een beroep deden op sterrewichelaars om hun mogelijke verliezen in oorlogen te voorspellen, toch werden diezelfde heksen later met duizenden veroordeeld. Hoe is deze “ideeënsprong” te verklaren?

Ontreddering

Je zou kunnen zeggen, dat deze volkswijsheid ook toen klopte: als je de leugen maar genoeg herhaalt, wordt ze uiteindelijk een waarheid. Toch ligt het niet zo eenvoudig, omdat de waarheid van toen, in die tijd ook een waarheid was en alsdusdanig door velen aanvaard werd, en wie ze aanvocht meteen als “ketter” werd gedoodverfd.

Daarmee zijn we beland bij de bijna determinerende rol die de Kerk toen speelde in het hele maatschappelijk leven. Basisgegeven is dat wie zich niet volgens de maatstaven door die Kerk opgelegd gedroeg, zich uitrangeerde. Sterker nog: wie zich op het terrein van de kerk waagde (o.m. met duiveluitdrijvingen) moest gestraft worden, en wie in de boosheid volhardde, werd zelfs in de ban geslagen.

Naast de socio-economische afgrond waarin het volk genoopt werd te leven, was er het probleem van de rechtspraak waarbij weinig of geen eensgezinde jurisdictie bestond. Er waren conflicten tussen lagere en hogere rechtbanken, en ook wat de godsdienst betreft, kreeg de bevolking weinig steun vanuit de lagere geestelijkheid, die meer dan ooit onbekwaam was leiding te geven. Er was een totale ontreddering, waarbij de godsdienstregels tegenover elkaar gesteld werden, en waaruit de gelovige geen rechte lijn meer kreeg. Ook op dat vlak miste men elk houvast. In deze sfeer van angst, ontreddering, ontsporing, klampte men zich aan een strohalm vast. Het bijgeloof tierde welig. De lagere geestelijkheid gedoogde, ook al was van hogerhand tegenstand tegen deze te laken praktijken.

Het is precies in het van hogerhand opnieuw restaureren van het katholiek gezag, met een duidelijker beeld en een klare leer dat de situatie moest worden rechtgetrokken. De vervolging van de ketters stond model zowel qua algemeen principe als qua procedure voor de heksenvervolging. Het principe van het voeren van het proces was hierop gestoeld: de inquisitie gaf elkeen de mogelijkheid een “verdachte” aan het gerecht aan te geven. Misbruiken waren legio.

Een ander zeer belangrijk element was de boekdrukkunst waardoor ideeën op zeer grote schaal de wereld konden ingestuurd worden. In die sfeer van ontreddering, was het dan ook niet moeilijk om denkbeelden te verspreiden, zeker als het was om de dader van het onheil met de vinger aan te wijzen. Het verschijnen van de beruchte “Heksenhamer” (1487) betekende de officiële bevestiging van het bestaan van de heks en de manier waarop die moest bestreden worden. Latere publicaties weken van dit standpunt niet af, en wat dan toch inging tegen dit officiële standpunt werd verketterd, want twijfelen alleen al aan het bestaan van heksen en de duivel, was ketters.

Een ander aspect is eveneens van belang om de heksenwaan te begrijpen. Daar waar totdantoe de duivel als abstract begrip bestond, werd hij meer en meer visueel uitgebeeld in al zijn “glorie”. M.a.w. hij werd de concrete veruitwending van het kwaad, en bestond in de ogen van velen, ook en zeker in die van de denkers, de geestelijkheid, de intelligentia. Dit beeld van de vijand van de mens, dit tegenbeeld van God, vergrootte de angst van de mens uit de 14de tot de 17de eeuw. M.a.w. ze zagen allemaal, bijna letterlijk spoken. Als er iets verkeerd ging, was het de duivel die met zijn onbeperkte macht de mens belaagde.

Het vrouwbeeld

Maar de cirkel van de redenering was nog niet rond. De duivel kon dan wel visueel uitgebeeld worden, de concrete bevestiging van de idee was er nog net niet. Er was nog geen tastbare vijand, ook al bestond er in de verbeelding van de mens een hel, met duivels en schrikbarende demonen. De duivel moest zich op een of andere manier ook in werkelijkheid manifesteren. De visie op de vrouw maakt de cirkel bijna rond.

De rol van de Kerk was ook daarbij determinerend: de vrouw werd beschouwd als een minderwaardig schepsel, een pover afgietsel van de man. Was zij het niet die ons het aards paradijs ontfutselde? Niemand twijfelde eraan, zelfs de vrouw niet, dat zij minderwaardig was, zowel geestelijk als lichamelijk. Had God haar niet geschapen uit een rib van de man? Als inferieur wezen werd ze omschreven als weinig betrouwbaar, babbelziek, makkelijk beïnvloedbaar, zwak maar anderzijds gevaarlijk omdat zij op heel ingenieuze wijze de man kon verleiden. Was ze oud, dan was de kans des te groter dat de duivel een makkelijke prooi aan haar had. De heksenjacht was open. Daar waar in een dorpsgemeenschap heksen al jaren vrij spel hadden, werden ze uiteindelijk geviseerd, werden ze verklikt, omdat ze zich vreemd gedroegen, veel alleen en/of lelijk waren of eigenaardig overkwamen. Tovenaars kwamen wel voor, maar het waren in overgrote mate de vrouwen die van hekserij beticht werden. De brandstapel lag niet veraf. Net als homofielen, ketters, sodomieters was dit de enige zuiverende straf. Eigenlijk betekende dit voor hen een redding. Het vuur zuiverde het lichaam. En voor het volk was dit veelal een prachtig spektakel, tevens een duidelijke vingerwijzing dat al wie zich op hetzelfde pad van de hekserij begaf, eenzelfde straf zou ondergaan. Toch dient gezegd, dat het verkeerd is te denken dat alle heksen op die manier aan hun einde kwamen. In de beginperiode werden nogal “zachte” straffen uitgesproken, gaande van een bedevaart, tot geseling en jaren- of levenslange verbanning. Komt daarbij dat een respectabel aantal verdachten (!) tijdens de ondervraging stierven of zelfmoord pleegden.

Het taboe en onbegrip over menstruatie, dat zeer sterk speelde in de kerkelijke opvattingen, als zou het menstruatiebloed o.m. bepaalde bovennatuurlijke krachten bezitten, leidde ertoe dat vrouwen met maandstonden niet ter communie mochten gaan. Verordeningen aan biechtvaders logen er niet om: vrouwen met gekrulde haren mochten niet in de biechtstoel, geestelijken onder de dertig jaar mochten niet alleen de biecht afnemen van een vrouw, vrouwen die hun mond te wijd openhielden en hun tong te ver uitstaken voor de hostie, moesten nauwlettend in het oog worden gehouden omdat zij de hostie niet wilden inslikken, maar er duivelse plannen mee hadden; vrouwen konden geen enkele belangrijke positie innemen, enz. Kortom, op alle vlakken werd de vrouw in het verdomhoekje gezet, zodat zij een makkelijke prooi kon worden van heksenmeesters die de maatschappij van het hellegebroed wilden zuiveren. En wie eenmaal in handen viel van de rechters, die bijna autonoom over schuld of onschuld oordeelden, en slechts node een beroep deden op advocaten door de Raad van Vlaanderen ter beschikking gesteld, was bijna zeker van een (strenge) straf.

Een groep vrouwen werd dan ook bijzonder scherp in het oog gehouden, omdat zij meer dan anderen de duivel diensten konden bewijzen. Vroedvrouwen hadden de mogelijkheid kort na de geboorte ongedoopte kinderen te doden, voldeden dus aan de wensen van de duivel. Zij werden slachtoffer van dergelijk volksgeloof, ook al omdat de kindersterfte toen zeer hoog lag. Moeders die hun kinderen verwaarloosden, konden overigens nog van alle schuld vrijgepleit worden, indien hun kind stierf, als zij maar een “gepaste” heks konden beschuldigen. (21)

Uiteindelijk was dit beeld van de vrouw als minderwaardig wezen een algemeen aanvaard principe waar niemand aan twijfelde. Ook via literatuur werd haar inferioriteit nog eens bevestigd. En de moderne geneeskunde stond nog in de kinderschoenen, zodat zelfs vanuit de louter biologische kant de vrouw geen steun kreeg. De bijbel bevestigde dit vrouwbeeld, en wie tegen de bijbel inging, was een ketter. Niet te verwonderen dus dat vandaag de dag de naweeën van deze verstarde opvattingen zich nog vaak manifesteren.

Een laatste heel belangrijk aspect dat de hele cirkel definitief rondmaakt is de seksualiteit. Uit de vonnissen blijkt telkens weer dat de frustraties van de man, in het bijzonder van de rechters, de geestelijkheid en de beul tot uiting kwamen. De bekentenissen van de heksen waarbij zij toegaven met de duivel “lijfelijk geboeleerd” te hebben, seksuele betrekkingen gehad te hebben, is een vast patroon in de bewijsprocedure. De wijze waarop, de frequentie en de omstandigheden werden in geuren en kleuren uit de doeken gedaan. Vooral weduwen en oudere vrouwen werden door de duivel geviseerd aan wie hij een makkelijke seksuele prooi had. Dat de controle op het gerechtssysteem bijna onmogelijk was, en de seksuele en sadistische misbruiken enkele uitzonderingen niet te na gesproken ongestraft bleven, zal duidelijk blijken uit de rechtsprocedure. Hoe dan ook, de heks was de personificatie van de duivel, en de rechter stond als mens bijna machteloos tegenover een wezen dat door draconische machten overheerst werd. Alle middelen om een bekentenis af te dwingen, waren dan ook toegelaten. (22)

RECHTSPROCEDURE

De hele achtergrond die we geschetst hebben, zal duidelijk maken dat de rechtsprocedure bij de heksenjacht een logisch verlengstuk was van een algemeen grondig misprijzen tegenover de vrouw in het algemeen, en de heks in het bijzonder. Zij was als inferieur wezen het zwakst en sterk beïnvloed door de duivel, en na het afgesloten duivelspakt de incarnatie van de demon. Tegen de macht van dat bovennatuurlijk wezen was geen “kruid” opgewassen. De rechters waren dus steeds in gevaar, en dit gevaar kon alleen bestreden worden met sterkere middelen; o.m. het besprenkelen met wijwater van de plaats waar de ondervraging plaatshad, was het ideale tegengif!

Anderzijds was het vrijwel onmogelijk de verdachtmakingen hard te maken. Er moest dus een procedure gevolgd worden waarbij de heks tot bekentenissen overging van de haar ten laste gelegde feiten. Foltering was dan ook aangewezen, maar toen werd ook al gebruik gemaakt van psychologische drukkingsmiddelen, zoals het voorliegen van een mogelijke lichte bestraffing, tot het medelijden ensceneren van de rechter om de vrouw tot bekentenissen te doen overgaan. Alles werd aangegrepen om de duivel schaakmat te zetten. De rechten van de mens konden, hadden die toen al bestaan, zelfs niet ingeroepen worden, want de rechter had niet te maken met een mens, maar met een demon.

Dat hoger wezen beschikte over geheime krachten, en een rechter en zijn beul moesten dus bovenmenselijke middelen gebruiken om bekentenissen af te dwingen. En de duivel manifesteerde zich op alle mogelijke manieren. De rechter moest dus alert zijn. Van meetaf aan.

Merktekens als bewijzen

Bleef de vrouw zwijgen, dan werd gezegd dat de duivel haar het spreken verbood. Schreeuwde ze het uit, dan was het de duivel die zich als in een wijwatervat roerde. Was de rechter geneigd de heks in haar onschuld te volgen, dan was hij onder invloed van de macht van de duivel. Er werd een net van aanteigeningen rond haar geweven, dat het bijna onmogelijk was zich uit dit kluwen van vooroordelen los te wrikken.

Dat de duivel werkelijk contact had met de betichte heks kon bewezen worden aan de hand van de duivelsmerken. Het haar werd daarom eerst afgeschoren, want op alle plekken van het lichaam kon hij zijn merkteken geplaatst hebben. Kon men in deze plekken naalden inbrengen die bij de vrouw geen pijn veroorzaakten, dan was dit het bewijs dat de duivel haar gemerkt had.

En de heks moest bovendien grondig onderzocht worden op duivelse poeders die zij wellicht bij haar had om de rechters ziek te maken, te bedwelmen, of te doden. Niemand nam de verdediging op van deze armzalige schepsels, en alles verliep volgens een vaststaande, onbetwistbare strikte procedure, die steeds moest resulteren in de bekentenissen van de heks – alleen onder die voorwaarden kon ze immers gestraft worden.

De torturen die de heks moest ondergaan, waren gewoon verschrikkelijk, en tarten elke verbeelding. Na deze vreselijke mishandelingen, volgde dan als “bewijs”, de zogenaamde “waterproef’. Kruisgewijze aan handen en voeten gebonden, werd de vrouw te water gelaten. Bleef de vrouw boven, dan was het ontegensprekelijk bewijs geleverd dat zij een heks was. Ook het geloof dat heksen lichter wogen dan gewone mensen, omdat ze zich in de lucht verplaatsten, werd concreet gemaakt in het wegen van de heksen, een ander “bewijs” waartegen toch toen ook al stemmen opgingen, omdat het “ongeloofwaardig” leek. Dergelijke weegproef werd dan ook maar op één plaats toegepast.

De redding

Deze bewijsvoering, de foltering, de enorme fysieke en morele druk waaronder de betichten leefden, het gevoel van verworpenheid in een vijandige wereld, het geestesklimaat geënt op een weids verspreide massahysterie, de seksuele vernederingen, dat alles was er de oorzaak van dat slechts een heel kleine minderheid verdachten voet bij stuk konden houden en hun onschuld staande hielden. Veel heksen bekenden dan ook de hun ten laste gelegde “feiten” de ene al vlugger dan de andere. Deze bekentenissen sloegen op het ontvangen van geld uit handen van de duivel, het met het eigen bloed ondertekenen van het duivelspakt, de exploten tijdens de sabbat en de seksuele misdrijven met de duivel en de door de heksen bedreven misdaden of betoveringen. Deze bekentenissen die in het lang en het breed genoteerd werden, moesten nadien publiekelijk worden gemaakt, en het volstond meestal te dreigen opnieuw over te gaan tot folteringen opdat de heks haar bekentenissen zou overdoen. Zo’n zestig tot zeventig procent van de veroordeelde heksen stierven op de brandstapel, maar ook dat scheelde van streek tot streek. De dood bracht na een soms maandenlange kwelling een einde aan hun pover bestaan.(23)

Toch dient gezegd dat een, zij het heel beperkt aantal, geleerden en geestelijken, de hele heksenwaan en de vervolging al van meetaf aan in vraag stelden. Maar in het koor van de huilende wolven had niemand oor voor hun argumenten: integendeel, zij liepen de kans zélf gestraft te worden. Het was dan ook pas toen de grote natuurkundige, geneeskundige en astronomische ontdekkingen in de zeventiende eeuw doordrongen tot de geesten, waarbij de wetenschap gestoeld werd op onderzoek van de werkelijkheid en gebaseerd op het logisch redeneren, dat de nevel van geheimzinnigheid over ziekte, dood, vreemde natuurverschijnselen en -rampen optrok en de periode van de heksenverbrandingen en -processen uitdoofde, maar toch ook bij sommigen heel lang bleef nasmeulen.

De geneeskunde bewees o.m. dat zgn. bovennatuurlijke verschijnselen of vreemde gedragingen van mensen te verklaren waren. Demente oude vrouwen, mensen die aan epilepsie leden, geesteszieken en zwakzinnigen die het slachtoffer waren van de heksenwaan, werden niet meer naar de rechter maar naar de dokter verwezen. Experimenteel onderzoek bewees dat (heel wat van) de vreemde zogenaamde bovennatuurlijke gebeurtenissen, rampen of ander onheil verklaard konden worden vanuit de natuurwetten zelf. Ook de rechtspraak verhief luider en luider de stem tegen de juridische procedure die aanleiding gaf tot vele misbruiken waarbij verdachtmakingen als bewijsmateriaal en het folteren als middel tot bekentenissen nog steeds als bron van rechtspraak golden.

De hele tijdsstroom waarbij het juk van het doemdenken van zich werd afgegooid, waarbij de mens vertrouwen kreeg in zichzelf en in de omringende wereld, zorgde ervoor dat het einde van de heksenwaan in zicht kwam. Ook al dateren de laatste heksenverbrandingen nog tot 1684, toch was de hetze niet uitgedoofd, en het was niet uitzonderlijk dat nog tot de vorige eeuw vrouwen met de vinger gewezen werden en in de volksmond de naam “heks” toebedeeld kregen. En tot op vandaag is het geloof in het occulte een gegeven waar je niet naast kunt kijken, niettegenstaande het feit dat de wetenschappen in de loop van de voorbije decennia met reuzensprongen vooruitgingen (24)

Toch wordt de vrouw in vele culturen en zelfs ook bij ons nog steeds als “minderwaardig” bestempeld, niettegenstaande de vrouwenemancipatie. En ook op het kerkelijk vlak is haar “minderwaardigheid” (noem het ondergeschiktheid, of afhankelijkheidI, vul in naar believen) nog steeds een feitelijk gegeven waaruit blijkt dat de geschiedenis toch steeds haar tol opeist in opvattingen die nog nasmeulen, niettegenstaande zoveel wetenschappelijk onderzoek, niettegenstaande de christelijke boodschap van totale gelijkheid en gelijkwaardigheid van elk mens, man of vrouw.

SLOTBESCHOUWING

Wat ons tot slot doet concluderen, dat in verwarrende, economische moeilijke tijden, de mens op zoek gaat naar oorzaken van deze wanorde, naar een houvast. Toch volstaat deze ene verklaring niet om een zo diepgaande angstpsychose om te zetten in een heksenjacht zoals die plaatshad in het verleden, want die correlatie tussen hoogtepunten in heksenvervolging en socio-economische neergang is historisch niet te bewijzen, omdat de feiten dit ook tegenspreken. Er dienen nog andere componenten aan toegevoegd te worden opdat een waan, een hetze, een haat tegen bepaalde bevolkingsgroepen zou ontaarden in een massale moordpartij die goedgekeurd of minstens oogluikend toegelaten wordt.

Zo’n massahysterie ligt niet zo ver achter ons, pas tachtig jaar geleden. Dit gegeven kan alleen maar ons historisch denken over de mens en zijn (on)menselijkheid tot zijn ware proporties herleiden. De tijd ligt niet zo veraf waarbij een nog grotere groep mensen geviseerd werden, en onder evenveel verschrikkelijke torturen, maar op een gesofisticeerde manier naar de “brandstapel” werden gebracht. Dit gegeven doet ons net als bij de heksenvervolging opschrikken om zoveel waanzin. Ook toen geloofden intelligente mensen in stellingen die op grote schaal geponeerd werden, en volgde het voetvolk deze mensonterende denkbeelden die op dat moment even “logisch” leken als de hele heksenwaan. Het resultaat was een nog nooit geziene holocaust.

‘Tussen Heestert en Moen, waar de heksen broen” mag dan een folkloristisch gekleurde spreuk zijn, toch zou ze ons moeten bijblijven als een levensgrote waarschuwing. Laat deze bijdrage dan ook in de eerste plaats een in die zin te interpreteren hoofdstuk zijn in de geschiedenis van Moen die ook na 1988 verder gaat, liever dan een op sensatie beluste benadering van het fenomeen dat ons niets leert over de mens, en ons slechts afhoudt van de essentie.

Het is niet aan ons om moraliserend het dreigende vingertje op te steken in de richting van al diegenen die de oorzaken zoeken van rampspoed, ongeluk economische regressie, morele achteruitgang bij een categorie mensen, die zélf in een zwakke positie staan, en zich, net als de heksen van de 15de, 16de en 17de eeuw niet kunnen verdedigen. Ook gastarbeiders en vreemdelingen worden omwille van het feit dat zij anders zijn, zich “vreemd” gedragen of niet in het kraam passen van wat normatief door de gemeenschap als acceptabel kan worden beschouwd, anno 1989 met de vinger gewezen. Ook heksen werden verbannen, uitgestoten omdat zij geacht werden onheil te brengen over de vooral gewone mensen. Een volgende stap naar de brandstapel ligt in dat geval niet ver van ons af. De zwarte bladzijden van de geschiedenis die aan deze spreuk gekoppeld kunnen worden, kunnen ons alleen maar helpen de toekomst van de mensheid te vrijwaren voor dergelijke uitwassen, waar de zwakkeren steeds weer opnieuw het slachtoffer van worden.

Dirk Rommens, juli – december 1988 in “Duizend jaar Moen 988-1988”, 1989


NASCHRIFT

Er is een vrij uitgebreide reeks van al dan niet uitgebreide studies die verschenen in boekvorm of in artikels die het fenomeen “Heksen” vanuit diverse invalshoeken benaderen. In het kader van deze publicatie zijn we in de onmogelijkheid een volledige bibliografie te publiceren. In de geciteerde werken van noten 5 en 12 kan men wel een heel eind op weg voor eventuele verdere diepgaande studies.

In dit korte bestek wilden we in de eerste plaats de spreuk situeren in een groter historisch geheel, waarbij we geen enkele pretentie hadden noch een diepgaande analyse van dit fenomeen noch een filosofische benadering te boek te stellen. Deze bijdrage moge evenwel een aanzet betekenen voor verder persoonlijk en/of wetenschappelijk onderzoek.

Wij danken hier uitdrukkelijk Prof. Dr. Jos Monballyu, die deze bijdrage op haar correctheid nalas én voor zijn suggesties. Eveneens dank voor zijn medewerking bij de officiële voorstelling van deze publicatie.

Professor Dr. J. Monballyu is Hoogleraar aan de Rechtsfaculteit van de Katholieke Universlteit Leuven, hij is ook Studentenverantwoordelijke aan de Kortrijkse afdeling, Is o.m. ook nog medewerker aan de groots opgezette tentoonstelling “Hekserij in de Nederlanden”, die zal plaatshebben in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, vanaf april 1989, en bestudeerde in diverse bijdragen het juridisch aspect van de heksenprocessen.

Sinds 1 januari 1989 is Prof. Jos Monballyu Kabinetsattaché, verantwoordelijk voor Universitair Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek op het Kabinet van Gemeenschapsminister voor Onderwijs Coens.


NOTEN

I. Stedelijk archief van Oudenaarde, Edikt van de hoogpointers der kastelry.
2. Stedelijk archief van Oudenaarde, Vertoog der hoogpointers, oktober 1579.

  1. Stedelijk archief van Oudenaarde, Vergunbrief op perkament.
  2. FRANS DE POTTER, Historische schets der gemeente Moen, Gent, 1863.
  3. JOS MONBALLYU, Heksenprocessen In Heestert in de tweede helft van de 17de eeuw. De Leiegouw. Kortrijk 1982
  4. H. BIERRE, ’t Oud Graafschap van Moen, Gent, 1875.
  5. J.B. CANNAERT, Bijdragen tot het oude strafregt in België. 2de druk, Brussel 1829, 175-184.
  6. Dr. J. VAN LAERE, De Kortrijkse Asklepiaden, Tielt, 1985, p. 47. – TH. STEVENS. Reisjes in Zuid-Vlaanderen, Kortrijk, 1901 p. 41 vertelt het volgende: “Achter de kerk van Moen vindt men den Olieberg. Deze naam ontmoeten wij in een heksenproces uit de 17de eeuw. Moen is inderdaad de geboorteplaats van verscheidene tooverheksen. Wij noemen er drie: Antonia de Scheemaecker, Gallina de Praetere en Josyne Labins. Men beweerde dat de arme sukkelaars op den Olieberg met den Booze omgingen. De bewaarde vonnissen zijn belangrijk voor de kennis van het oude strafrecht in Vlaanderen. Zij spreken van den halsband, van het duyvelsteken, van het duyvelspoeder. De straat die van Moen naar Heestert leidt, heet nog altijd de Tooveressestraat”. Aldus de door Prof. Jos Monballyu aangehaalde bron. Hier wordt o.a ook Joosynne Labyns als Moense omschreven.
  7. J. CORNEUSSEN, Nederlandsche Volkshumor op stad en dorp, land en volk II Antwerpen, 1929, 227.

10. zie (6) p. 78. – SLOSSE, Rond Kortrijk, 1911, p. 1380 voegt er nog een aanvulling aan toe: Tusschen Heestert ende Moen, Waar de tooveressen broên; Maar tot Heestert, Zijn zij meester.

11. K. TER LAAN, Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen, 23ste druk, Amsterdam 1988, in het voorbericht p. 7 tot 10.

12. FERNAND VAN HEMELRYCK, Heksenprocessen in de Nederlanden, Leuven, 1982 p. 111

  1. DRIES VAN YSACKER, Hekserij In Brugge, Brugge, 1988.
  2. DR. J. DE VRIES, Etymologisch woordenboek, Utrecht-Antwerpen, 11de druk, 1976.
  3. VAN DALE, Groot woordenboek van de Nederlandse taal, ’s Gravenhage, 9de druk 1970.
  4. zie 7
  5. zie 7
  6. zie 5 p. 165, 166.
  7. zie 12
  8. MARGARET MURRAY, The witch cult In Western Europe, 1921.
  9. zie 12
  10. zie 5
  11. Advertentie in Atlas van 20 oktober 1988, met volgende tekst: = VERWITTIGING = MAEN = SATAN =: Vele mensen lijden aan een onbekende kwaal die ganse familie verlamt in alle domeinen, zaken, handel, tegenslag, enz. Alles slaat tegen, studies, uw partner, kinderen, vrienden keren zich van U af, U verliest uw plaats, werk, ruzie in de familie, bedrog, verduistering geen geluk in de liefde, lotto, loterij, roulettespel, paardenkoers. tiercé, enz. Geen geluk in het landbouwbedrijf door allerhande ongevallen, ernstige ziekten, crohn, zenuwachtigheid, rheuma, vallende ziekte, arthrose. Meestal wordt al deze tegenslag veroorzaakt door beheksing die MAEN heet. Deze boosaardige virus dringt bij mensen binnen en geeft hen de dodelijke zucht naar wellust en alle ondeugden om te vernietigen. Werp alle hindernissen van U af. Wij kunnen ze voor U opsporen en verdelgen in 3 dagen door een Snelle Weldadige Actie. DE … IS HET ENIGE TOESTEL dat ze ontdekt op gelijk welke afstand en U vrijwaart voor 13 jaar en meer. Geen verplaatsing, geneesmiddelen of behandeling, geen foto. DE … is onfeilbaar. Vergist zich nooit. Draag de TALISMAN… U zult nooit aan ernstige ziekte lijden. 30 Talismans en Pentakels voor uw geluk en welslagen in zaken. Neem contact op met… en vrijwaar U van noodlottige gevolgen. Wacht niet, schrijf uw geval indien U denkt getroffen te zijn, voeg naam, voornaam, adres, tel. beroep bij in hoofdletters. Antwoord 10 dg. Ontvang op afspraak ts… enz. Directeur PROFESSOR IN VISIOEN EN BOVENNATUURLIJKE WETENSCHAPPEN, enz.

BRON FOTOMATERIAAL

TENSIE PELLAERTS, EDDY GEENTJES, Magie, hekserij en volksgeloof, DNB

ARIE ZWART, KAREL BRAUN, Heksen, ketters en inquisiteurs, Haarlem

Een fotomontage In een samenstelling van HENRIETTE SPIRIG en in een vormgeving van STEFAAN GRUWEZ.


OVER TOVERHEKSERIJ VROEGER… EN NU

Hoewel uit geen enkel archief is gebleken dat ooit in Moen heksenprocessen zouden gevoerd zijn, toch kreeg onze (deel)gemeente de spotnaam van “toveresseparochie” toebedeeld. Wellicht omdat de mensen er meer dan elders over heksen en spoken spraken. Want niet zovele Moenenaars hebben in feite tot het ontstaan en de instandhouding van die spotnaam bijgedragen. Toch is het interessant eens te graven in de grond waaruit de heksen of toveressen zijn opgestaan.

Het staat vast dat vaak verstandige, ontwikkelde mensen aan hun bestaan en praktijken geloof hechtten. Anderzijds vermaakten een massa eenvoudige lieden zich met de heksen- en toverijverhalen. Wie nam men voor heksen, hoe kwamen zij voor, wat voor soorten zijn er, wat spoken heksen uit, hoe leefden ze, hoe kwamen ze aan hun eind? Dat is een lang, uiteenlopend verhaal.

Is hekserij een overblijfsel van een oud heidens geloof, bijgeloof of volksgeloof? De geschiedenis van de hekserij wijst erop dat zij beschouwd werd als een zondige bezigheid. Naar verluidt zou de zogenaamde “hekserij” afkomstig zijn van oude rituelen en zou deze weinig of niets met toverij en andere kwade praktijken gemeen hebben. In het begin van de christelijke jaartelling was het woord hekserij wel synoniem van toverij en magie. Heksen en tovenaars beheksten mensen en voorwerpen, brouwden liefdes- en andere drankjes en zorgden voor goed of slecht weer.

Een Moense folklorestoet (1986) zonder heksen? Onmogelijk. Wellicht is deze heks op weg naar de brandstapel.

Verder hielden zij zich bezig met talrijke magische zaken die tovenaars, medicijnmannen sinds mensenheugenis hebben bedreven. Dergelijke mensen werden door het kerkelijk gezag met een scheef oog bekeken. Zij werden als een bedreiging voor de gemeenschap beschouwd. Later vormden heksen zowat overal een netwerk van kwaad. Er heerste tijdelijk een grote heksenpaniek. Dit leidde tot waanzinnige vervolgingen. Honderden – ten slotte duizenden – heksen werden tegelijk gemarteld of verbrand. Die waren op het einde van de 17de eeuw achter de rug. Het tijdperk van de “zwarte heksen”, stereotiep uitgebeeld als een oude vrouw met een kromme rug, tandeloze mond, lang haar, een punthoed of hoofddoek, steunend op een stok en vergezeld van een kat of rijdend op een bezemsteel, liep op zijn eind. Van dan af kwamen de “witte” heksen voor de dag. Die beweerden aan de zijde van het goede te staan. ‘2warte heksen” werden als “duivels” aangezien. Bij “witte” heksen was het alleen om het goede te doen. De naam “witte” zou van het Engelse woord “witch” zijn ontstaan dat van het Angelsaksisch “wicca” is afgeleid en dat “wijze” betekent.

’t Is geen honderd jaar geleden en ’t is van horen zeggen. Een boerengezin in Moen met enkele kleine kinderen maakte iets mysterieus mee. Wat ook werd ondernomen, telkens weer werd één van de jongens in een bak voor een koe teruggevonden. Hoewel het kind steeds weer werd bevrijd, enkele tijd later kwam het opnieuw in de schapraai terecht. Na zekere tijd dacht men dat de “maarte” er mee te maken had. Waar of niet, de meid werd aan de deur gezet. Hoe dan ook, dit eigenaardig voorval deed zich niet meer voor. Had het werkelijk – zoals sommigen beweerden – met hekserij te maken?

In ieder geval deed Moen zelfs tot voor tientallen jaren zijn naam van heksengemeente eer aan. Moenenaars voerden zelfs heksen- en spooknummers op. Eén werd door wijlen Camille Viaene au sérieux genomen. Hij was de laatste boever op het hof Ter Moude bij Remi Debrabandere. Voordien was hij op de Heerlijkheid van Erembodegem bij Honoré Veys in dienst. Had hoofdrolspeler Julien Lanneau daar niet tijdig de plaat gepoetst, dan werd hij zeker door zijn belager met een staaf ijzer fel te keer gegaan.

’t Gebeurde na de cichorei- en bietenoogst. Als voldoening werd vroeger voor de deelnemers een wafelbak gehouden. Julien Lanneau en Marcel Opsomer (Knudde) die hadden geholpen, mee hadden gesmuld en gevierd, bakten paardeboever Camille eens een poets. Toen deze na het eten – ’s avonds als het donker was – naar de paardestalkamer trok, schrok hij zich een hoedje. Er lag iemand in zijn bed. (De twee helpers hadden van wat stro en kleren een man gemaakt). In ’t zet stond Camille weer beneden. Toen zijn hart weer normaal ging slaan, vertelde hij het voorval in horten en stoten. Marcel Knudde muisde er ondertussen van onder. Hij vond er niet beter op om in zeven haasten een biet tot spook om te toveren en van een flikkerlichtje te voorzien. Hij liet het klein knutselwerk omzichtig van de “delte” voor het venster van de paardestalkamer zakken. Camille zag het vreemd lichtgevend gedrocht over en weer bewegen. Dat maakte hem ongerust. Het bedaarde zeker zijn gemoederen niet.

Integendeel! Eenmaal Julien Lanneau met een wit laken over het hoofd te voorschijn kwam en Camille nog meer de stuipen op het lijf wou jagen, zocht laatstgenoemde zijn toevlucht tot het eerste het beste verweermiddel om de toverheks (?), het spook (?) te lijf te gaan. Julien die zich tijdig van de onraad en de ernst vergewiste, maakte zich ook tijdig uit de voeten.

Reml Van Loosveld in “Duizend jaar Moen 988-1988”, 1989