Eerste steen van het Monumentje

Toespraak bij de onthulling van de Eerste Steen van het Monumentje door de H. Dr. G. Crepel

Het leggen van de eerste steen is een gebeurtenis die de mens vol verlangen doet uitzien naar de structurering, de vormgeving, het nut en veelaal ook de symboliek van datgene dat het menselijk brein ontwierp en mensenhanden tot voltooiing willen brengen.

Hier meer bepaald gaat het uiteraard niet om een groots bouwwerk, maar om een heel eenvoudig monumentje, waarvan de structurele details zo intens in een harmonieus geheel zijn geïntegreerd dat, én acht eeuwen Moense geschiedenis, én de symbolische betekenis die we aan het nageslacht willen doorgeven als een zelfsprekend element zal tot uiting komen.

Hiervoor feliciteren wij van harte onze jonge architect de heer Filip Despriet uit Kortrijk, die langs zijn zeer vruchtbaar archeologisch vorserswerk geen onbekende meer is te Moen, vooral meer bepaald in de plaatselijke Heemkundige Kring.


Ons oud kerkje werd 100 jaar geleden gesloopt. Een groot gedeelte van de stenen en bouwmaterialen werden gerecupereerd om er een woning mee op te richten, die dan op haar beurt onder de slagen van de slopershamer is terechtgekomen. Het zijn die historische stenen die de beademing hebben gegeven aan het ganse project, waarrond dan de begeestering van de ganse bevolking zich is komen scharen.


Afmetingen : Totale breedte : 3,60 m
Hoogte spits toren : 2,60 m
bouwplaats : St. Denijsstraat, voor gevel huis nr. 2.
Op de plaats van het wachtlokaal van de autobus.


Deze stichtende momenten van dorpssolidariteit hebben een schitterende en spetterende apotheose gekend in het dorpsfeest van vorig weekend.
Dit feest werd georganiseerd om de oprichting van dit monumentje financieel mogelijk te maken.

Daarom wil ik dan ook van deze gelegenheid gebruik maken om allen die er op de ene of andere manier bij betrokken waren van ganser harte te bedanken. Ook een woord van dank aan de familie Rommens-Vandenbulcke die de zware last van het hele opzet op haar schouders heeft genomen en niet het minst aan Erik die als centrale figuur van de organisatie naar voren is getreden. Bovendien heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd tot de definitieve vormgeving van de gedenksteen. Dankzij zijn kundige tussenkomst kunnen we actueel aan het monumentje, waarvan
we de maquette hier bij ons opgesteld zien twee duidelijke verschillende
gedeelten onderscheiden:

Enerzijds een impressionistische imitatie van de toren van de eerste kerk, en anderzijds een oud smeedijzeren kruis. De symboliek van dit laatste slaat terug op de evangelisatie en missionering van onze bevolking, waarvan onze eerste kerk een stille
getuige is geweest. Anderzijds willen we hiermee ook het feit in herinnering brengen dat er hier vroegere jaren te Moen, zoals trouwens overal, een kerkhof bestond rond de kerk.

De modernisatie heeft het uitzicht rond de kerk milieuvriendelijker gemaakt, maar niettemin liggen nog altijd vele gebeenten van onze voorouders begraven onder het wegdek waarop wij ons bevinden. Daarom dit kruis als stil teken aan de wand, gericht tot de argeloze en nonchalante voorbijganger

In naam van onze plaatselijke bevolking had ik de Heer Burgemeester willen
vragen, als symbool van de zeer gewaardeerde medewerking van de burgerlijke overheid aan ons project, te willen overgaan tot de eerstesteenlegging van ons monumentje. Zo was het althans aanvankelijk gepland. Daar echter de inplantingsplaats van het monumentje nog niet beschikbaar is omdat het wachthuisje van de autobuslijn nog niet naar zijn nieuwe bestemming kan gebracht worden, kan de eerstesteenlegging, zoals die traditioneel wordt opgevat, niet doorgaan. Daarom hebben we de grootste steen, in feite de basissteen van een van de zuilen van onze eerste kerk naar hier laten overbrengen.

Naar M. Vereecke, artikel in “Het Nieuwsblad” van 29/30 juli 1978

“Wij bouwen aan de toekomst van ons verleden”. Onder dit motto organiseert de Heemkundige Kring van Moen, in samenwerking met alle plaatselijke verenigingen, van vrijdag 25 tot zondag 27 aug, een feestelijke driedaagse, uiteraard in ’t raam van het Jaar van het Dorp. Als blijvende herinnering zal bij die gelegenheid de eerste steen van een «symbolisch » monument worden gelegd.

Die symboliek van het monu­ment is veelvoudig. Ze betreft in eerste instantie aard en op­zet van het gedenkteken: men wil ermee beduiden dat Moen dit “Jaar van het Dorp” niet als een voorbijgaande episode be­schouwt. maar als het startpunt tot een nieuwe opvatting van het dorpsleven, dat door ge­meentelijke fusies en mentali­teitsverandering op andere grondvesten is gaan rusten.

Baken

Ook het bouwmateriaal is symbolisch en geeft bovendien een historische waarde aan het monument: het wordt opgetrok­ken uit oude stenen, afkomstig van de eerste Moense dorps­kerk, die uit de 12e eeuw dateer­de. Die stenen konden worden gerecupereerd door het slopen van een woning In de St.-Denijsstraat, waartoe ze destijds wer­den gebruikt.

Zelfs de plaats van het ge­denkteken is, in zekere zin, sym­bolisch: aan de rand van ’t oude kerkhof. Daaruit, mede uit het feit dat het bouwwerk met een authentiek oud kerkhofkruis wordt getooid, mag men echter allerminst afleiden dat een soort “grafmonument” wordt bedoeld, als herinnering aan een “dood” dorp.

Integendeel, het gedenkteken wil in de eer­ste plaats een soort baken zijn, opdat de huidige Moense ge­meenschap uit de talrijke emo­tionele en socio-culturele facet­ten van het voormalig dorpsgebonden leven, nuttige lessen zou trekken om diezelfde ver­bondenheid ook in de toekom­stige constellatie blijvend waar te maken. Om de fondsen voor het bou­wen van het gedenkteken bij­een te krijgen, wordt te Moen een zelfklever verkocht, die nu al op veel wagens en aan de ven­sters van heel wat woningen prijkt. Met hetzelfde doel zal voor diverse festiviteiten van de Moense driedaagse een mi­niem entreegeld (slechts 20 fr.) worden geïnd. Door die finan­ciële bijdrage zal het monu­ment meteen, in de meest letter­lijke zin, van en voor alle Moenenaars zijn en. in die optiek, nog een symbolische betekenis te meer krijgen.  

M. Verheecke, artikel verschenen in Het Nieuwsblad van 29/30 juli 1978