(2) Herinneringen van Arthur Van Lancker
Mijn herinneringen
Ik meen dat ik kan spreken vanaf mijn zes jaar, dus ’t jaar 1905. We woonden in een klein huisje in de Statiestraat, waar nu de huizen staan van Vanderdonck en Albert Dewijn, die nu nog dezelfde waterput gebruiken. Langs de ene kant woonde baas Terras, schoenmaker en herbergier, de andere kant Costand Desmet, “Mulders”.
Ik weet het nog goed dat moeder somtijds stro kwam trekken ’s morgens uit onze strozak om de stoof aan te steken. Wat later was het haverkaf, en dan gekapt haverstro; dat waren toen al zachte bedden. Men sprak nog niet van matrassen. Ja, toch, deze die schapen hielden, plukten de wol zelf, dit waren al gegoede burgers, zoals men zegde.
Om soldaat te worden moest men gaan loten naar Sint-Denijs; was me dat een spektakel! Getooid met een grote hoed, vol pluimen en linten met in het midden het getrokken nummer. Dien dag was gekenmerkt door drinken en vechten en allerhande buitensporigheden, dit alles onder het waakzaam oog van Florent, de champetter die, als het tegen Sint-Denijs ging, hen opzweepte en riep: “Geef ze er maar van!” U kan ook denken dat men thuis verlangde om den uitslag te weten. Daarom werd er een loper aangesteld, of met een duif; u moet weten dat er toen nog geen telefoon, auto’s noch velo’s waren.
In 1905 brak er in de fabriek waar er driehonderd mensen werkten, staking uit; men moest op twee getouwen staan; ook voor beter loon: ’t was een zware strijd voor de arbeiders, immers, geen steun, niemand was verenigd, de armoede was groot.
’t Was toen de opkomst van Debunne, een socialist die kwam meetings geven, nergens een huis kreeg, toch hier en daar een stoel, dus dan maar naar Avelgem. Men trok er in stoet naartoe, met accordeon op kop. Ook werd er brood gestuurd uit Menen, dat verdeeld werd onder de stakers. Dit had plaats op den hoek van de herberg “Lion d’or” bewoond door Seys, nu De Gilde. Niemand dierf gaan, want het werd van hogerhand verboden: ’t kwam van slechte mensen, zo zegde men. Men kon de pokken krijgen, toen een vreselijke ziekte. Daarna gaf men brood met krenten: de pokken waren erin gebakken. De staking duurde zeven weken.
GEMEENTEVERKIEZINGEN
Dit was een ander paar mouwen, ’t Ging tussen de boeren ondereen, want toen waren er nog geen politiek partijen; toch wilden zij verdelen in drie klassen: de grote bazen met paarden, de kleine boeren die hun land bewerkten met os of trekkoeien en de lage kant, fabriekswerker enz. Wees gerust, de afstand werd stipt nageleefd, immers, een grote boer had zich niet verlaagd te trouwen met iemand van een kleine doening of koeiplekke, zoals men zegde.
En deze nog veel minder met iemand van de lage kant, fabrieksarbeider of zo. Hoe rijker, hoe meer stemmen, dat gold ook voor de grote gezinnen. De grote strijd ging onder burgemeester Vuylsteke en Debrabandere, zonder van de andere boeren te gewagen, en het was hartvrezend, hoe men dan de kleine man ontdekte en met pint en druppel, ook brood, zijn stem of stemmen trachtte te bekomen. De strijd was hevig onder de verscheidene groepen.
Er bestonden toen zelfs twee muziekfanfaren: een van den burgemeester: “Het Paternostersmuziek” en een van Debrabandere: “Het koeijettermuziek” het eerste onder leiding van Vistor Vuylsteke , het tweede onder leiding van onderwijzer Ernest Coene. Geloof me, het waren twee goede, maar met den oorlog zijn ze verdwenen.
De toestand van het werkende volk was niet rooskleurig, te meer dat er veel grote gezinnen waren. En om een huis of werk te bekomen was men dikwijls gedwongen langs de pastoor om te gaan, of anders…
In 1910 of 1911 brak er weer een staking uit in de fabriek, maar nu waren er veel mensen verenigd. Het zaad dat Debunne gezaaid had, was gekiemd. De politieke strijd was begonnen in Moen. De boerenstand verloor veel van zijn pluimen, immers daar waren nu ook de christen-democraten met een zekere Degreve of was het Deschrijver? Ook Krullie Vanschamelhout met de Daensisten, en de politieke strijd zou niet meer luwe
Men werkte in de fabriek alle dagen van 7 tot 7 uur en de maandag tot 5 uur. ’s Middags stopte men anderhalf uur en de mensen, bijzonderlijk van Heestert gingen op de kloefen gaan eten. De lonen: ververij: 16 frank, aprè: 18 frank. Vader had 20 frank: hij was leider. Deze die in Frankrijk werkten, met velo of trein er naartoe, konden tot 23 frank verdienen, te week, wel te verstaan.
Er werkten zo een driehonderdtal mensen in de fabriek. Ook werd in die jaren de Parochiezaal “Den Tap” gebouwd, waar alle christelijke inrichtingen gevestigd waren; ook een toneelgroep, onder leiding van Hendrik Verbrugge, die in 1912 uiteenspatte en Verbrugge een toneelgroep stichtte in de zaal “Depauw” (“De schouwburg” genoemd) bij Loosveld. Moen was twee toneelgroepen rijk.
In 1913 ben ik gaan werken in de fabriek en konden wij een velo kopen, een “Trois Fisile”(?), 225 frank en een der beste. Er waren er ook van 180 frank. Vader met zijn 20 frank te weke, moest zo 12 weken werken voor één velo…En nu, op één week?
DE KERMISSEN
Die werden goed gevierd: de mensen spaarden ervoor, men bakte zelfs taarten, meest perentaart en ook boerenbrood, in den oven van hun stoof; op Sinksen stonden er twee rijen snoepkramen voor de kerk, een manège met velo die men zelf moest voortsteken; ook een lietse of schommel. ’s Namiddags was het de grote Sinksenprijs, die veel volk lokte.’s Maandags zwijnenmarkt voor de herberg “De oude Brouwerij”, bewoond door Cyriel Van Den Bulcke. Vele bakken varkens stonden er te koop, ’s Namiddags Koerfeest, grote keuring van konijnen. Dit alles bracht veel volk op de been; ook vinkenzetting in de Kapellestraat bij Yzerbyt “Lion d’or” en bij August D’Haaije “in de Goudvink”.
De grote kermis duurde drie dagen. Die dagen lag de fabriek stil en op de plaats waren er allerhande feestelijkheden. De maandag was het den dag van de “Boers” in ’t Kloefke met Parochiekoers, mastklimming, zaklopen, “kortewagenkoers” enz. enz. Den dinsdag op den Piel (Kapellestraat) valiezenkoers, bolling, vinkenzetting. Kortom, alles werd in feeststemming gevierd, en er werd naar Moense mode gedronken en gevochten. Moen was daarvoor bekend, zoals we zullen zien in volgend deeltje.
DE GAAIPERS
Ik heb ze weten maken. Ik ging dan naar school, ’t moet rond de jaren 1905/1906 geweest zijn. Die pers lag op staanders op de plaats, voor het huis van Stoopie, een vlashandelaar, die dien tijd en lang daarna een goed gekende figuur was. ’t Was een lang huis, van aan het gemeentehuis, bewoond door Felix Geeraard, tot de wagenmakerij van Vergote. Dat was een huis! De pers werd geplant in de weide van Casimir Moerman, nu bewoond door Willy Ameye. Om naar die weide te gaan, waar nu de Bossuitstraat ligt, lag toen het “strontstraatje”, genoemd omdat het er zo vuil was. Het was een stapweg, met oude knotwilgen en een vuile gracht waar men alle vuiligheid in smeet, en liep rond den boomgaard van Moerman tot aan de Kouterstraat.
Op den hoek stond er een kapelleke, “Allegaerts kapelleke” genoemd, de overzijde waar nu Albert Dewaele, Jerome Delanghe, Henri Delcour woont. Dat was al weide en daar werd de pers geplant. Aan den ingang van dat vuil straatje, op den hoek, was een laag cafeetje met winkel, waar nu ongeveer bakker Ottevaere woont. Daar woonde Mielke Fie-Pé, een pittig, luimig manneke dat niet bang was een poets te bakken. Hij was een kuipmaker. We hebben hem dikwijls ‘rond’ zijn werk zien lopen met zijn knecht Siks. Ook was hij een soort kerk¬baljuw. Op de andere kant van het pleintje woonde Florent Hollaert, ook een oud huis, met ernevens kloefmaker Desmet, ofte “Kloufies”. Nu leeft Marie nog. Er lagen altijd bomen tegen het huis.
’t Lokaal van de pers was bij Mielke in “Sint-Elooi”, zijn naam was Moerman, vader van meester Moerman en Bertha, vrouw van Hilair Dewijn. Bestuur: Heer Demeyer, bestuurder der fabriek Gratry, Florent Compeer, champetter, Bebue, Laevens, Montens, enz.
Montens, vader van Honoré en Remie, was feitelijk de verzorger, en moest voor alles instaan. Ook de pijlrapers aanwerven; en wees gerust, ’t was geen gemakkelijk manneke: hij ging met een stok… De pijlrapers, waaronder ikzelf, weten dat wel!
Na den oorlog heeft men ze weggedaan, want de sprang was gans vervrongen, niemand weet van wat; ‘ t moet van een vliegtuig zijn dat ertegen gevlogen is.
VERLICHTING
Moen had gelijk overal, slechte wegen. Drie tot vier meters breed met diepe karresporen, die nu en dan opgetrokken werden met assen, door de kantenier Dolf Boeltjes, echte naam Matton. De kruispunten werden verlicht met petroleumlantaams, die alle avonden aangestoken werden door Peetje Pachelaere, een manneke met oorringen die zijn toer deed met zijn ladder op de rug. Als hij gedaan had, keerde hij terug om wel te zien of ze wel brandden. Menigmaal waren er door kwajongens dood geblazen. Peetje klom geduldig op de ladder, kuiste de kous, in het gedacht dat ze weer vuil was, en weer weg!
De inwoners werden bediend van petrol door een oud man, Van de Kerckhove, vader van Marie, die met een “leeggaart”, een stel dat paste op de schouders, met ketting, en daaraan een kan met een mate liter of halve liter. Zo bestelde men de klant, die had de naam Pietrol. Er waren ook melkventers met zo een gestel.
SCHOLEN
Wij zijn nog altijd bezig over de periode voor de oorlog 14-18. In dien tijd bestonden er drie scholen.
(1) Klooster, waar ook een speldenwerkersschool was, waar men tussen de lessen door nog iets ‘kon verdienen. Men keek toen nog niet zo nauw naar het onderwijs, dat er natuurlijk onder leed. Voor de mensen telde de bijverdienste, die men nodig had.
2) De knechtenschool of gemeenteschool, met als hoofdonderwijzer de zeer gewaardeerde Meester Brys en meester Ernest Coene. Later kwamen er nog bij: o.a. meester Debue.
3) Charlottens school, die gelegen was in de Kapellestraat, waar nu de Kinders Kinds wonen. Toen meest met vreemde kinders. Onze meester kon er zeer op vitten: ’t was een slechte school en dikwijls hebben we door de haag geloerd om het slechte te ontwaren, en we waren dan ook zeer verwonderd daar een priester te zien, nl. priester Wilfried, en ons kinderhart stond daarbij stil. Hoe kon dat nu een slechte school zijn? Er was daar toch een priester! We begrepen daar niets van.
DE EERSTE VELO
Volgens sommigen was het Camiel Vandeburie, bijgenaamd Camiel Stenies. een smid die woonde waar nu Rohaert woont; volgens anderen Julke Moeman, likeurhandelaar, die woonde waar nu coiffeur Mare Cosaert woont. Maar ’t zou wel landbouwer Meulemeester zijn die op het hof woonde waar nu Jean Pauwels woont. Als vrouw was het Therese, vrouw van Remie Desmet “Gerrie” genoemd, om vlees rond te dragen.
EERSTE MOTO
Dit is vast en zeker Emiel Vromant, houthandelaar, nu het bedrijf van Jef Vanackere. Een anekdootje: Mielke Vromant, zoals hij genoemd werd, leerde rijden met zijn moto, maar kon hem niet stilleggen. Hij moest na drie ronden rond Moen in de graangewassen rijden om te kunnen stoppen.
AUTO
De eerste auto die ik zag was rond 1905 voor het huis van Victor Velge, herberg “Sint-Jozef”, ook timmerman. Wat een geloop van volk om die wagen te zien zonder paarden. Hij moest in gang gestoken worden met pedalen, en bij het vertrek: wat een gebrul en rook en stank!!! Ondanks al mijn opzoekingen nergens een inwoner gevonden die toen een auto hadden vóór 14-18.
VLIEGMACHINE
Ik geloof dat het in 1910 was dat de ronde van Europa gevlogen werd en we wisten van onze meester dat ze rond Moen moesten voorbij vliegen. Ze moesten naar Rijsel, en waarlijk, in de voormiddag zagen we ze vliegen, in de verte de Schelde volgend. Maar ’s avonds kwam er een boven Moen. Was me dat een spel! Ik ging rap een oud vrouwke halen en als zij die vliegmachine zag, stak ze devoot de handen omhoog en zei: “Ons Heer zal nu kwaad zijn, want de lucht is voor de vogels en niet voor de mensen”. Dat vrouwke, B. Verriest was de’moeder van Marie, vrouw René Vangeersdaele.
VERVOERDIENST
Die vervoerdienst wierd gedaan door een zeer goed gekend koppel die den dienst deed: Kortrijk-Moen of omgekeerd, Broos met zijn zwaarlijvige Fitriene. U moet weten dat er toen nog geen sprake was van autobus. Men gaf van alles mede, zelfs brieven, ook allerhande bestellingen uit Kortrijk naar Moen. Broos, een jenevermanneke en de dikke Fitriene haalden in de tussendagen de bestellingen op. En met hun huifkar en mager paard, dat nu en dan recht moest geholpen worden door gedienstige geburen, trok men zo tweemaal per week naar Kortrijk. Ook was er een dienst Sint-Denijs – Moen – Kortrijk door de gebroeders Formet met twee huifkarren die de concurrent waren van Broos. Later werd dit alles overgenomen door Alfred Defraye, die het nog lange jaren zou doen. De plezierreizen werden gedaan door de charban, dit was een tweedekker rijtuig met prachtige paarden, schoon versierd, het muziek zat van boven, en wees gerust: op zo’n reis was er veel leute en plezier!!! De grote boeren ten slotte, want ze rekenden dat ook bij de vervoerdienst, reden naar stad of naar de mis , per Tilbery-chiese, of nog beter met een tweewielig rijtuig met paard, eerst met ijzer beslagen, dan met rubber.
DE NIJVERHEDEN VAN VOOR 14-18
Moen trok de nijverheden aan door zijn perfecte mogelijkheden. Immers, waar kon men aantreffen : een kanaal Bossuit-Kortrijk, spoorwegstation Moen-Heestert en Moen-Bossuit. Men kon dus langs alle wegen met de goederen.
De eerste fabriek kwam rond de jaren 1899.
Dan de grote steenfabriek en Moen-Knokke, en daarna de grote houthandel Emiel Vromant. Dat alles gaf aan veel mensen werk.
Over de grote weverij Gratry zullen we niet veel zeggen, we hebben er reeds veel over gezegd, en meerdere uitleg vindt men in boek 1. Ik kan wel zeggen dat ze in 1988 overgenomen werd door de firma Bekaert uit Vichte.
De steenfabriek, nu “pannenfabriek”, werd gebouwd in 1910. Onze meester verklaarde dat de schouw van 90 meter de hoogste van België was. Tijdens de oorlog werd er door de Duitsers van alles gemaakt, zelfs een munitiedepot die in de lucht vloog. Verscheidene doden, op het einde van de oorlog gans uitgebrand, om te herbouwen in de pannenfabriek, die nog veel mensen werk verschaft.
We hadden dan de mechanieke houtzagerij van Emiel Vromant, waar men ook alle bouwmateriaal kon verkrijgen, ook kolen en alles wat hout betrof. Vromant had zelfs een schip dat zijn kolen haalde uit de Walen en in de Schelde zonk in 1910, bevaren door een zekere schipper Clement. Maar zijn schoonste was zijn prachtig gespan paarden, met garelen belegd met koper, die blanken als spiegels, ’t Was zo prachtig om te zien als ze aankwamen met hun boomezel “malejan”, met lange zware bomen beladen. Van aan den draai der fabriek, waar men moeilijk draaien kon, want daar is het smal en een langen boom kon daar moeilijk door. Daar was de herberg “In den haan”, bewoond door de ouderlingen Defoor, “Laries” genaamd, die nu te midden van de baan zou staan, en den steilen smalle slechte weg, de brug die moeilijk te berijden was… Je kunt denken hoe die drie prachtige paarden, opgejaagd met zweep en getier, moesten zwoegen om op de brug te geraken. Was me dat een gezweet, gevloek en getier: die arme dieren werden verplicht hun laatste grammeke macht uit te halen.
Ook kwamen er bomen toe in het kanaal in vlotten, ’t Was weer een spektakel te zien hoe die bomen uit het water werden getrokken en dan op hun plaats werden opgestapeld. De meest gekende bouvers, of paardegeleiders waren Cezar Seynaeve die dan “In de Vrede” woonde, bijgenaamd Sarrie, en Jan Opsormer ofte “Knudde” en laatst Remi Montens.
DE EERSTE FONOGRAAF – SPREEKMACHINE
was bij smid Verdonck, café “In den Olieberg”, waar nu Georges Arie woont.
Het was een toestel met een cylinder, en niet zoals nu met, platen!
DE MOENSE FAAM
Als Moenenaar was onze faam niet om mee te stoefen. Als men naar de aanpalende gemeenten ging, bezag men je met een scheel oog, want de spreuke was; “Er zit te Moen een mes op den toren”.
Hoe dat kwam, want ze hadden al het ongelijk van de wereld niet, wel, er waren hier een vier- à vijftal families die berucht waren voor hun vechten. We zullen geen namen noemen voor de eerbare nakomelingen. Zonder te spreken van de stukgeslagen herbergen. Op zondag moest men vechten of men had geen zondag gehad. Men kon het fijn aan boord leggen. Bijvoorbeeld een nietig manneke doen twist zoeken, zij sprongen bij en had men niemand gevonden, een reden vond men altijd om onder mekaar te vechten.
Het was geen zeldzaamheid om maandag in de fabriek gendarmen te zien die iemand kwamen aanhouden of onderhoren.
Nu nog zegt men: een echte Moenenaar heeft een mes op zak.
Arthur Van Lancker, geschreven in opdracht van de Heemkundige Kring



