Het Goed te Moen in Moen
De belangrijkste hoeve op het grondgebied van Moen is steeds het «Goed te Mouden» geweest. De dorpskom is immers als woningconcentratie ontstaan rond deze hoeve en de kerk, die op haar grond stond. Het was het centrum van de heerlijkheid en het graafschap van Moen, en bezat een leenhof, waarvan niet minder dan 59 lenen afhingen.
De hofstede ligt op 100 m ten oosten van de kerk en paalt aan de plaats. De ligging is bijzonder goed gekozen: midden in een moerassige kom, omringd door de vruchtbaarste gronden van Moen. Het is het laagste deel van de gemeente, binnen de hoogtelijn 20 m en gelegen nabij de Heestertbeek. In het kadaster vinden we ze op het plan-Popp, Sectie B nrs. 31-39 (Plaats 9, Moen).
De geschiedenis van de hoeve heeft steeds in het teken gestaan van het bijhorende, thans verdwenen kasteel als centrum van de aanzienlijke heerlijkheid — later ook graafschap — Moen.
In de 13de eeuw werden er al heren van Moen vermeld, die in verband schijnen te staan met het huis van Machelen (62).
Een ridder Hendrik van Moen wordt vermeld in verband met tienden in Eke in 1243 en 1247; Hij was ook getuige bij een overeenkomst tussen de Gentse Sint-Pietersabdij en ridder Willem van Avelgem.
Ridder Jacob, heer van Moen, verkocht in 1261 een tiende in Kortrijk; hij trad ook op in 1280 in verband met de verkoop van een leen op de plaats Busch te Moen.
Jan van Moen, ridder, wordt vermeld in een oorkonde van 1286, waarbij zijn weduwe en oudste zoon afstand deden van alle aanspraken op een tiende in Moen.
Van waar die familie Van Moen afkomstig is, is niet met zekerheid te zeggen! Mogelijk hebben zij behoord tot de familie van de heren van Machelen en Aishove.
Sinds de 14de eeuw waren de Barnages heren van Moen. Een Eustaas Barnage werd in 1309 en 1312 vermeld, wat nog niet betekent dat hij iets met Moen te maken had! In 1340 verschijnt echter Jan Barnage, «gezeid van Moen», in een oorkonde, waarin hij duidelijk optreedt als heer van Moen. Tenslotte is er Jan Barnage, in 1374 uitdrukkelijk heer van Moen genoemd in het randschrift van zijn zegel: S’IOH BORNAGE MILITS DNI DE MOUDEN.
Het enige tot nog toe onopgeloste probleem is de verwantschap tussen de 13de-eeuwse heren van Moen en de Barnages. Mogelijk waren Jacob en Jan van Moen reeds Barnages!
Waterkasteel
Door het huwelijk van Margareta de Bernaige, vrouw van Moen, met Frederic van Marselaer, volgde het geslacht van Marselaer in 1670. Na de dood van Philippus Joseph van Marselaer, die in 1718 kinderloos stierf, werd de heerlijkheid gekocht door Ferdinand Joseph de Virmal de Falierand, die het bij zijn overlijden naliet aan Ignace Ferdinand de Croix, heer van Dadizele. Hem werd op 24 september 1718 de titel van graaf toegekend, gehecht aan «Den Hoge Hove van Mauwe in Vlaanderen». Zijn graafschap is gegroeid uit de vele, kleine heerlijkheden in Moen. De heerlijkheid, gehouden van het leenhof van Ninove, werd met de Franse Revolutie afgeschaft, maar de hoeve bleef tot in de 19de eeuw eigendom van zijn nageslacht (63).
Het Goed te Moen bestond uit een complex, rechthoekig geheel van omwallingen. De afmetingen bedroegen niet minder dan 190 x 170 m; de breedte van deze watergrachten schommelde van 10 tot 30 m! Enkele binnengrachten zorgden ervoor dat het kasteel, de hoeve, de tuin en de boomgaard afzonderlijk omwald waren; zij werden alle tijdens de 19de eeuw opgevuld.
Het uitzicht van dit uniek geheel is ons zeer goed bekend dank zij enkele prachtige afbeeldingen uit resp. 1641, 1761 en 1813.
In 1641 tekende Sanderus het kasteel als een waterkasteel met ronde duiventoren en zware, vierkante meestentoren. Hij heeft het evenwel mooier voorgesteld dan het in werkelijkheid was. We vonden het ook terug in het landboek van Moen, opgemaakt in 1761 door de landmeters Steur en Van Outryve (64). Het bleef tot in 1802 bewoond en werd toen op last van de graaf gedeeltelijk afgebroken. In tegenstelling met de meeste adellijke of kerkelijke bezittingen in onze streken, werd het kasteel van Moen niet aangeslagen door de Franse revolutionairen. De eigenaar verbleef tijdens die woelige periode in Brussel en liet zich als «citoyen» aanspreken. Zijn baljuw, Wolfcarius, bewoonde tot 1800 het kasteel. Een eigenaardige uitzondering! Toen Seraphin Vermote het in 1813 tekende, was de helft — met de grote toren — al volkomen verdwenen. De duiventoren stortte in 1815 met oorverdovend gedruis ineen. Sindsdien zijn de resten stuk bij stuk verdwenen, op een kelder na, die nu als zwembad gebruikt wordt (65).
Ook over de hoeve, in feite het neerhof van dit kasteel, is een en ander bekend. In 1443 werd zij gepacht door Willem de Wischere, met 28 bunder of ca. 40 ha. Eigenaar was Jan Bernaige, die het contract opmaakte voor de duur van 9 jaar (66).
In 1641 ging het om losstaande bebouwing; het woonhuis en de schuur werden afgebeeld met trapgevels, wat op baksteenarchitectuur wijst.
Bezettingen
Eind 17de – begin 18de eeuw had Moen heel wat te lijden van de voortdurende bezettingen. Met de regelmaat van een klok werd het kasteel hersteld, bezet of uitgeplunderd. Niet alleen werd ook de hofstede beschadigd, maar werd er ook het vee aangeslagen of gestolen (67).
Het landboek van Moen toont de hoeve met woonhuis, poort, stallingen, een ruime bergschuur en een open wagenkot in het midden. Dit document omschrijft ze als «Casteel, wallen, dreven,1 bosch, lochtijnck, boomgaert en hofstede… groot twee bunderen vijfthien hondert eenentwintigh roden». Binnen de omwalling lag dus meer dan 3 ha grond; pachter was Karel Messiaen.
Laat-18-de-eeuwse archivalia vermelden herhaaldelijk de verschillende delen van de hoeve: de buitenboomgaard, de Ommeloop, het hof van het kasteel, de wal, de mestput, de koe- en paardenstallen en de dreef. Er zijn ook enkele namen van pachters bekend, o.m. Karel Messiaen (1761), de weduwe Messiaen (1768), Adriaan Vanden Broucke (1785) en tenslotte opnieuw Messiaen in 1802. (67 bis)
Ook de kabinetskaart van Ferraris (1771-1778) en het kadasterplan van Popp (ca. 1840) tonen losstaande bebouwing.
Brand
Eind vorige eeuw werd de eeuwenoude hoeve vrijwel volledig vernield door een zware brand; op 4 april 1893, om 11.30 uur ’s nachts brandde ze ten gronde af. De Gazette van Tielt schreef: «Dezen nacht heeft een geweldige brand de schoonste hofstede van onze gemeente in assche gelegd. Het is het Neerhof van ’t voormalige kasteel van den edelen heer Philips, grave de Croix en van Moen, Baron van Wynghene, Heer van Dadizeele. De schade is zeer aanzienlijk, 4 peerden zijn in den brand gebleven en al de koeibeesten, en wat meer te betreuren is, een vreemde slaper, door wien het vuur misschien bij ongeluk in de hofstede is gekomen». De omvang van de brand is begrijpelijk, als men de brandbaarheid van stro als dakbedekking in aanmerking neemt (68).
De hoeve is sindsdien bewoond door de familie Debrabandere, die een 50-tal ha in bedrijf heeft. Het bedrijf legt zich thans vooral toe op veeteelt.
Hoewel de brand van 1893 zo goed als alle oudere gebouwen vernield heeft, is het hof van Moen toch waardevol als bouwkundig geheel; de gebouwen werden namelijk in een zeer zuivere, homogene stijl opgetrokken en zijn typisch voor de late 19de eeuw.
Thans heeft deze omwalde hoeve een halfgesloten bebouwing, die echter pas na de brand ontstaan is.
Het poortgebouw, met oudere aanbouw en een pannendakje op moer- en kinderbalken, dateert uit de 17de eeuw, maar werd herhaaldelijk hersteld. De doorgang wordt gevormd door een halfronde boog, met een volledige omspanning van natuursteen. De onderbouw maakt deel uit van het verdwenen kasteel. In de voorgevel prijkt een wapenschild.
Vóór de poort bevindt zich een tweebogige brug uit de 17de eeuw. In het midden van de zijgevels is een hardsteen pijler aangebracht. De halfronde brugbogen werden in hardsteen uitgewerkt. Twee eeuwenoude bomen net voor de brug verlenen aan het geheel een prachtig uitzicht.
Het woonhuis werd op de plaats van het oude herbouwd. Het is een eenlaags boerenhuis onder zadeldak met de ingangsdeur en een dakvenster centraal in de gevel, die met een baksteen fries afgezoomd is. Op de nok vinden we een dakruitertje. In de zijgevel zijn neogotische elementen verwerkt. Het dakvenster is met kraagstenen en een trapgeveltje afgewerkt.
Tussen poort en woonhuis is een ovenhuis ingebouwd. In de oostelijke zijgevel zijn duidelijk resten van een ouder woonhuis zichtbaar, met centraal in de topgevel een venster met boogvormige afdekking.
Behalve de ruime stallingen, is er ook een grote, dwarse bergschuur met twee paar inrijpoorten en dakoversteek. Zij omvat ook een aardappelkelder en is blijkbaar uitgelengd.
Een merkwaardig gebouw is een volledig losstaand wagenhuis met zeven boogvormige doorgangen. Het doet nu dienst als kalverhok. Bakstenen pijlers met geprofileerde voet en kapiteeltjes geven aan dit gebouw een voornaam uitzicht. De zijgevels zijn met vlechtingen afgewerkt en hebben een rond uilegat.
Centraal op het erf is er een grote mestvaalt.
Op de plaats van het vroegere kasteel staan nu twee afzonderlijke gebouwen, nl. een bergplaats — tijdens de oorlog als school gebruikt — en een tabaksast, die nu aangewend wordt voor het drogen van graan. Recente opgravingen door de Arch. Stichting voor Zuid-West-Vlaanderen hebben er resten van twee opeenvolgende kastelen aan het licht gebracht. Het oudste, vermoedelijk van de 13de eeuw, werd eind 16de eeuw omgebouwd tot het laneuze verblijf van de heren van Moen.
Bron: Philippe DESPRIET, TWINTIG ZUIDWESTVLAAMSE HOEVEN, Kortrijk., 1978






