Iets van ton
Toen de paster nog mijnheer de paster was en Fredje Defraye, twee keren te weke mee peerd en karre naar Kortrijk deiselde, de tijd van de passerelle en van Francies Brugge.
Toen Ratte Vens, Tonne Blomme en Ivo de Champetter nog leefden…
Ja, ’t was ton, ’t was ton dak mijne kop, hier, ip de wereld stok…
| Toen ik ip de wereld kwam ‘k en was nog niet heel droge zei men moeder kijk eens kind Moen es toch zo skone ons huizeke mee zijn stroten dak en al die brave mensen ’t geluchte die zonder wolken was wat zoet ge beter wensen Tralalalala – tralalalala tralalalala – tralalalala Ze droegen mij naar de kirke ton om mij te laten dopen ofschoon ik geen Latijn verstond kreeg water met heel hopen ze vroegen aan men meter ton hoe moet dat ventje heten ze wist het, maar ze zei het niet en ‘k begoste ton te bleten tralalalala – tralalalala tralalalala – tralalalala De skole van zuster Bazilia nen dierentuin in ’t klene en als g’iets deed die niet te proper was ze kuiste ’t of alene ’t was ’t heilig zusterke van Moen we zijn haar niet vergeten en als k’k iets kostte doen ik zou z’een standbeeld geven Tralalala – tralalala tralalala – tralalala ‘k Werd ne kadé, ‘k zat bij fiepee we moesten daar Frans leren la vie, le banc et la koolschip rekenen en lezen we deen ons best en iedereen keek om maar niet te missen en ’t schoonste opstel dat ik weet ging over lokketissen Tralalala- tralalalala Tralalala – tralalala Het Moen van Toen, was toen nog groen De paster deed de messe we droegen kloufen, w’aan geen schoen en ’t brood lag in de dresse de tijd gaat rap, we weten dat maar wat z’ook meugen schrijven een dingen weet ik goed, da’k altijd Moenenare zou willen blijven Tralalala – tralalalala Tralalala – tralalalala |
Bron: Brochure uitgegeven t.g.v. dorpsfeesten 1978