Moen in De Gemeenteklapper 1976
De gemeente Moen is zeker een der oudste uit de omgeving, want naar het schijnt werd Mouwe, Mouden, Moenen of Moen reeds in de 6e of 7e eeuw tot het Christendom bekeerd. Toen was de gemeente bijna volledig door bossen bedekt.
Er zou kort nadat de H. Eligius en de H. Amandus in onze streken het geloof brachten, een kapel of een kerkje gebouwd zijn, toegewijd aan de H. Eligius (Elooi).
Eligius werd geboren in Chaptelat bij Limoges rond 590. Hij was goudsmid en een leek, maar een voorbeeld van eerlijkheid. Hij werd om zijn kunst en eerlijkheid benoemd tot goudsmid bij het hof van Koning Klotarius II. Door zijn positie begunstigd kocht hij slaven vrij, en waagde het ook wel enkele kloosters te stichten. Wegens zijn groot geloof en zijn voorbeeldig leven werd hij bisschop benoemd door de Koning. Dit was toen allemaal mogelijk. Zijn bisdom was Noyon en Doornik. Maar hij ondernam grote en langdurige reizen en zijn apostolaatsveld werd vooral Vlaanderen: Brugge, Oudenburg en Aardenburg, Friesland en het Antwerpse, ook de streek van de Suevi. Dit was tussen Leie en Schelde of de streek van Swibo, dus ook de streek van Sweveghem = Swibango: Heim. Tussen Leie en Schelde werd een mengeling van Sueven en Sicambers door Cesar neergezet.
Op het einde van de 11e eeuw werd te Moen het Kasteel gebouwd, bekend onder de naam Kasteel van Mouwe. Het is reeds lang verdwenen, maar was gelegen op het erf bewoond door oud-burgemeester R. Debrabandere. De laatste tijd werden aldaar opgravingen gedaan, en niet zonder succes.
Margareta van Mouwe (Moen) trouwde rond 1200 met Jan van Baron. Ook reeds in de 12e eeuw is er sprake van Eustache, uit de kasselrij van Rijsel, die heer was van Croix en Moude (Moen) en die met Boudewijn van Vlaanderen op kruistocht ging naar het H. Land. Deze Eustache had een zoon die bisschop werd van Doornik.
In 1340 levert Moen enkele gewapende mannen voor het leger van Jacob van Artevelde om de Fransen te bevechten in Doornik.
Gedurende de geuzentijd, rond de Pacificatietijd van 1576, had Moen, zoals zoveel dorpen en steden, fel te lijden onder de vernielingen door de geuzen aangericht.
Op 1-8-1664 werd een zekere Josine Labins uit Heestert veroordeeld nadat Andries Raes uit Moen gestorven was, omdat zij „aen den selven gegheven had en stuck ovenkoucke op welken zij gestroyt ende geleyt hadt van heur voorseyde duivelspoeder”. Vandaar de spreuk „Te Moen waar de toveressen broen”.
In het begin der 17e eeuw wordt Moen plat gelopen door de legers die Doornik bevechten en belegeren. Later door de Fransen die het bezetten. In 1814 is er weer oorlog in onze streken tussen de Pruisen en Napoleon. Generaal Maison en Tielman bevechten elkaar tussen Moen en Heestert en Zwevegem en brengen verwoesting en armoede mede.
Zo komen wij tot meer moderne tijden en zien wij het graven van de vaart tussen Kortrijk en Bossuit van 1857 tot 1859. Ook de aanleg van de spoorlijn Kortrijk-Ronse, over Zwevegem en Moen naar Avelgem toe in 1868, voor het eerst bereden in 1869.
Moen heeft door zijn ligging op de vaart en de spoorweg vooral door de nabijheid van de Waalse industrie een niet geringe economische betekenis gekregen, want meer dan de helft der bevolking wordt in eigen midden tewerkgesteld. Er zijn immers benevens kleinere handels- en huisnijverheden, een hele serie grotere bedrijven als steen- en pannenbakkerijen, katoenspinnerij en -weverijen, confectieateliers, en andere, in deze gemeente gevestigd.
Zo zal ook deze plaats op de verbrede vaart, waar straks schepen zullen varen van 1.350 ton, nog aan betekenis winnen en dit vooral onder de stuwende kracht van de hele bevolking.
De huidige kerk werd gebouwd in neo-gotische stijl in 1875, dus pas een eeuw geleden. Ze is, zoals reeds vermeld, toegewijd aan de H. Eligius. Deze heilige wordt er aanroepen tegen de zweren. De jaarlijkse hoogdag wordt gevierd op 1 december, maar ook gedurende het hele jaar komen bedevaarders, tot uit het naburige Wallonië, deze heilige aanroepen. Ook de H. Godelieve wordt zeer vereerd in de kerk van Moen, vooral tegen neus-, keel- en oorkwalen.
Een jaarlijkse bedevaart op 1 juli behoorde ook tot de gewoonten van de vrome Moenenaars, naar de kapel van O.-L.-Vrouw op de Souterrain, nu afgebroken voor de verbreding van het kanaal.
De Sint-Elooisviering was vroeger algemeen. Vooral in de 18e eeuw was zij tot grootse feesten uitgegroeid, zodanig dat allerhande misbruiken en een te grote uitbundigheid een reden was (of een voorwendsel) om er vrij spoedig een einde aan te maken. Zo werd reeds in 1783 door de toenmalige bisschop verbod opgelegd om de paarden van de Sint-Elooisgilde te zegenen met de relikwie. In 1805 verbood de bisschop van Gent met paarden de processie te volgen; wat reeds in 1738 moeilijkheden opleverde te Zwevegem tussen de Sint-Elooisgilde en pastoor Van Coppenole. Zowel te Moen als voordien te Zwevegem wekte deze afschaffing groot ongenoegen bij de leden der gilde.
Dat gaf te Zwevegem aanleiding tot het ingooien van de pastoor zijn ruiten. Waarop een proces volgde. De maatregelen van de bisschop vielen te Moen ook niet in goede aarde en men bleef er hardnekkig vasthouden aan dit oude gebruik.
Moen is voor een groot deel ook landbouwgemeente waar allerlei teelten worden gewonnen. Vooral tarwe, gerst en haver; ook vlas, maar meer en meer bonen en peulvruchten, rechtstreeks voor de conservenfabrieken. Suikerbieten en voedingsbieten, en aardappelen worden er ook veel geteeld.
De bevolking van Moen is bijna een halve eeuw constant gebleven wat ook hier het bewijs levert van de honkvastheid van de bevolking. In 1940 waren er 2.405 inwoners en dat blijft onveranderd tot in de jaren 1960. Daarna gaat men stelselmatig in de goede richting, wat te verklaren is door particuliere woningbouw en door de inspanningen van de bouwmaatschappij uit de centrumgemeente.
De huidige bevolking bestaat uit 1.473 mannen en 1.412 vrouwen, of een totaal van 2.885 inwoners.
Het gemeentewapen, goedgekeurd bij besluit van de regent op 15-12-1949, is dit van de familie Croix en bestaat uit een zilveren grond met een kruis van glazuur (blauw), bovenop een kroon met drie fleurons, gehouden door 2 omziende leeuwen van goud, elk houdende een bannier.
De gegevens voor Moen werden geput uit West-Vlaanderen, Steden en Gemeenten, en de Beschrijving van Moen, ons uitgeleend door de Heer R. Debrabandere.