Oorlogsjaren 1940
13 MEI – 15 MEI 1940
Begraving van Carolie Mestdag en Meester Frans Brijs. Op dagen gevaarvol voor de mensen op straat, zonder verkeersmiddelen, zoodat weijnig volk de diensten durfde en kon bijwonen. En Meester Brijs zoo wel gekend! En zijn zoon Eerw. Heer Antoine die gemobiliseerd was en niets afwist van zijn vaders dood.
Paniek gezaaid door allerlei vluchtelingen van alle hoeken van het land. Het klooster van Genck, Dominikanen, vestigt zich voorlopig in Moen, bij d’ouders van Pater Dr. Dewijn.
19 MEI 1940
Sint-Denijs op de vlucht. Door Moen. Gejaagdheid onder het Moensche volk. Sedert eenige dagen Moen bezet door Engelsche soldaten. Zaterdag 18de gaat ons Rode Kruis op de loop. Engelsche gekwetsten, hun dokter ziek, verpleegd in de meisjesschool. Gevaar stijgt. Het volk te veel op straat. Kanons overal geplaatst.
De vijand te Kerkhove en rond Pottes. Rukt de stroom over en komt vooruit. Maandagavond 20ste. Bevel voor ontruiming. Het merendeel trekt ervan af, waar naartoe? Die naar Kortrijk of dichter zijn gevlucht waren de gelukkigsten. De laatste parochianen zijn woensdag heengegaan. Eenige families zijn gebleven. Reeds was Moen bezet door de Duitschers. Donderdag, en zij lieten gemakkelijk de Moenenaars terug keeren naar hun woonstede. Intusschen hadden de Engelschen de bruggen doen springen, met als gevolg groote schade aan de aanpalende huizen, en de vernielde bruggen hebben de troepen geen minuut tegengehouden. Waarlijk moeten wij den Heer dankbaar zijn dat Moen zoo gespaard is geweest, gezien dat uit Moen zooveel geschoten is geweest! Slechts enkele bommen of obussen zijn alhier terechtgekomen en veroorzaakten weinig schade.
Vrijdag 24 Mei waren bijna alle Moenenaars terug en van verre zagen zij den toren van de kerk rechtstaan ongedeerd! Deo gratias. Het H. Hert heeft Moen beschermd! Stillekens aan herbegint de kerkelijke dienst. En op 2de Juni wordt alles normaal.
Op de vlucht zijn twee Moenenaars om het leven gekomen: Firmin Rapsaet, gestorven te Harelbeke, en J. Opsomer, gestorven te Helkin.
Bron: Eigen Archief