Toneel

Om den oorsprong van den toneelbond te achterhalen moeten we eens 60 à 70 jaren teruggaan, tot omstreeks 1890. Hoe ontstond de toneelgedachte hier in ons klein verlaten dorpje? In boeken of geschriften kunnen we er niet veel over terugvinden. Maar sommige van onze oudste inwoners weten er nog wel het een en ander vanaf. We hebben ze laten vertellen over hun jonge tijd, over het leven op het dorp, hun werk en ontspanning. Hun verhalen hebben ons verplaatst in een milieu en in toestanden, die we ons nog nauwelijks kunnen indenken. Hoe zag onze gemeente er uit rond die tijd ?

Stelt U even Moen voor zonder fabrieken, zonder geplaveide wegen, zonder elektriciteit, zonder dagbladen, schier zonder contact met het overige van de wereld. Stelt U voor de lage, schamele huizen, waar ‘s avonds bij kaarslicht het weefgetouw nog kletst en de zwingelmolen ratelt, de miezerige boerderijtjes, die de bewoners nog somtijds in de steek moeten laten om ’s nachts te verhuizen “met de rode lantaarn aan de dijsel”.

Moen zonder nijverheid, de mensen zonder voldoende broodwinning, het lijkt ons wel een verhaal uit Vermeulens boerenromans.

De enige ontspanning voor de mensen is de herberg. Er zijn er dan ook zeer vele, wel tienmaal meer dan nu, en het weinige zuurverdiende geld, wordt dan ook nog voor een groot deel aan den drank besteed. In de winter geeft elke herberg haar feest. ’t Is Pintjedek, wafel- of Piro-bak. ‘s Zondags na de mis verkondigt de veldwachter vanop hiertoe bestemde steen, het feestprogramma van den dag. Voor de jeugd is er ook gelegenheid tot dansen bij de muziek van een trekzak of boekorgel. In de kroeg wordt de dagelijkse miserie verzopen. En als de drank is in de man. . . We kunnen ons dan voorstellen dat de Moense snaken prat gingen op hun sterke vuisten en hun handigheid in de messengevechten. Vandaar dat het een spreekwoord was in de streek : “In Moen zit er een mes op de toren”. Vreemdelingen was het geraden voor donker het Moense grondgebied verlaten te hebben. Wee ook de jonge man uit een aanpalend dorp die het waagt een Moense Meideke te vrijen. Hij zal wel met haar dorpsgenoten hebben af te rekenen. Naar alles wat we konden vernemen stond het sociaal en cultureel peil van onze bevolking op geen al te hoog peil.

Als verenigingen uit die tijd kennen we de muziekmaatschappij, gesticht in 1860 en de genootschappen van Sint-Vincentius, St.-Franciscus-Xaverius, en St.-Jan Berchmans.

De Mulder

Omstreeks het jaar 1839 kwam op de molen van den Hr. Samain op het gehucht Bavegem een nieuwe molenaar. Het was wijlen Hr. Hendrik Verbrugge, die bij de Moense bevolking nog voortleeft als “de Mulder”. Hij kwam uit Kortrijk waar hij spelend lid was en bleef van een toneelkring. Deze, naar het schijnt, zeer begaafde speler, was de toneelkunst met hart en ziel verknocht.

Op zijn eentje in zijn molen oefende hij zijn rol in met woord en gebaar. Bij de dorpelingen kreeg hij aldus de naam een zonderling te zijn, naar ’t schijnt betrapte hem eens een boer die met zijn graan kwam, in ‘t vuur van een herhaling. Hij keerde al rap paard en kar en verkondigde onderweg dat de mulder aan ‘t zot worden was. Maar spoedig raakte Verbrugge in Moen ingeburgerd en verbroederde met de Moense mensen, den zondag in de herberg. Bij het minste aandringen droeg hij daar ganse fragmenten uit toneelstukken voor. Enkele jongeren kwamen aldus onder zijn invloed en het was dan ook onder zijn impuls dat het plan rijpte een toneelkring te stichten. We konden enkele namen achterhalen van deze pioniers uit het eerste uur. Alleen de oudsten onder ons zullen er zich nog enkele van herinneren kunnen. Het waren : Henri en Cyriel Kints, Camiel Moerman, Camiel Hennion, Modest Mestdagh, Henri Verdonck, Firmin Ottevaere, Omer Verbeken.

Zaal

De eerste moeilijkheid bestond erin een zaal te vinden waar ze zouden optreden. Alleen in het klooster was deze te vinden, en daarvoor was de toelating van de pastoor nodig. Als herder fungeerde hier toen de, naar het schijnt zeer gestrenge E.H. Volckaert. Zekere dag bieden onze jonge toneelliefhebbers zich ten zijnen huize aan, om die toelating te vragen. De meid “Wieze” komt opendoen. Ze beziet de afvaardiging met een scheef oog… Ongelukkig voorteken? Was de pastoor die dag slecht gemutst of was hij werkelijk zo stug ? Er viel geen praten aan, de kloosterzaal was onherroepelijk gesloten voor die “uitvinding des duivels1” die toneel heette. Eens de eerste ontgoocheling voorbij, bleven onze toneelvrienden evenwel niet bij de pakken zitten. In het jaar 1891 kregen ze van Camiel van Poucke, de toelating om den zolder boven zijn herberg te gebruiken. Dit was dus het tweede verdiep van het huidige meubelpaleis van Hr. J. Velghe.

Nu kan de wagen aan ‘t rollen. Verbrugge zorgt voor een brochure van een door hem gekend stuk: “De zoon dronkaard”, een gemengd spel. Om de geestelijkheid niet al te veel te ergeren werkt hij dit om tot herentoneel “De oudste zoon dronkaard”. De rollen worden verdeeld. Wie kan lezen en schrijven kopieert de zijne uit die enige brochure. Wie het niet kan moet ze bij de mulder op ’t gehoor gaan aanleren. De herhalingen hebben op de molen plaats. Er wordt gezorgd voor vlasbaarden en toneelkleren. De vertoning lukt boven mate. De toeschouwers hebben heerlijk kunnen schreien om de tragische geschiedenis. Het succes stijgt de spelers naar het hoofd en de ganse nacht gaat elk afzonderlijk voort zijn rol in een of ander café, tot hij zich de baard van de kaken speelt.

Tegenkanting

Maar helaas: nu begint de tegenkanting vanwege de pastoor pas voorgoed. Van op den kansel uit hij zijn verontwaardiging over deze vermetelen. Ze worden met broodroof bedreigd. Ze kunnen de strijd tegen de overmacht niet op en zetten tijdelijk hun activiteit stop.

In 1896 denken ze dat de storm nu wel geluwd is. Ze herbeginnen met vernieuwde moed en in alle stilte. Twee blijspelen worden aangeleerd : “24 uren fabrikant” en ’t Spookte”. Enkele jongeren zijn toegetreden onder wie Victor Vandenbulcke, de enige overlevende en dus de oudste toneelspeler van Moen. Er wordt herhaald bij Camiel Moerman in zijn slaapkamertje. Maar waar zullen ze mogen optreden? Modest Mestdagh stelt zijn huis ter beschikking, thans de woning van Wwe Defraye.

In de herberg zullen de toeschouwers zitten, in de andere kamer, verbonden met een dubbele deur, wordt op schraagtafels de scène opgebouwd. Een klein orkestje, onder de leiding van Henri Verdock, luistert de vertoning op. Het volgend jaar wordt er nog eens gespeeld in het café van Charel Desmet, het tegenwoordige huis van beenhouwer Andre Desmet. Onder de titel “Oudejaarsavond” wordt een zeer lugubere historie met geesten opgevoerd, misschien zo wat een voorloper van sommige moderne thrillers. Maar opnieuw brak het onweer los boven hun weerspannige hoofden. Toen werd het bijltje erbij neergelegd in afwachting van betere tijden of meer begrip en waardering.

Wonder

Ondertussen bleef Verbrugge spelend lid van een toneelbond in Kortrijk. Maar zijn droom was toch altijd: hier ter plaatse een toneelbond stichten en voor eigen volk spelen. In 1902 biedt zich hiervoor een nieuwe kans. E.H. Fol heeft pastoor Volckaert opgevolgd. Onze toneelvrienden steken andermaal de koppen bij elkaar en besluiten bij de nieuwe herder aan te kloppen. Het wonder gebeurt: ze worden met open armen ontvangen. Deze begrijpende priester waardeert ten volle de activiteit van een toneelkring, hij moedigt hen aan en aanvaardt het Erevoorzitter schap. L. Declercq wordt voorzitter en Verbrugge “toneelbestierder”. De jonge toneelbond wordt boven de vont gehouden en “Kunstminnende Jeugd” gedoopt.

Op zondag 11 januari 1903 wordt in de zaal van ‘t klooster een eerste “verzettig avondfeest” gegeven, zoals we lezen op het programma en dit ten voordele van de Conferentie van den H. Vincentius a Paulo. De spelwijzer duidt aan: Opening door ’t muziek. Daarna “De Verzoening” dramma in drij bedrijven door G. Delattin. Het tweede deel begint met “La Belle Hëlène d’Offenbach”, grote variaties voor piano’s en saxophone, uitgevoerd door Alidoor en Victor Vuylsteke, Daarna volgt de heropvoering van “24 uren fabrikant”. Om de tijd te korten tussen de bedrijven zingt het trio : Ernest Coene, Richard Vervaecke en Henri Vandenbulcke, kluchtliederen. De prijzen der plaatsen: Voorbehouden plaats : 2 frank; eerste plaats: 1 frank, tweede plaats O, 50 frank. Verders nog een verzoek: Damen en juffers hoeden af a. u. b. Dat er van toen reeds veel vreemdelingen naar het Moens toneel kwamen, kunnen we besluiten uit het bericht : ’De vertoning zal eindigen voor het vertrek der treinen in alle richtingen’. Als nieuwe acteur verschijnen op het programma: Jozef Debrabandere, Omer Vanderbeken, Jules Maroy, Ernest Herman, Alfred Vanneste, Alois Teirlinck, Julien Verdonck, Arthur en Hilaire Maes, Alidor Mijle, Oktaaf Orroi en Maurits Devos.

TAP

Intussen was E.H. Claeys hier benoemd tot onderpastoor.

Deze zeer dynamische priester liet den “TAP” bouwen, die in 1907 voltooid was. Het zal wel met veel geestdrift geweest zijn, dat Kunstminnende jeugd er als eerste opvoering gaf “Werkerseer”, drama in drie bedrijven door Palmer Putman, gevolgd door het blijspel “Het Standbeeld van Tuimelaar te Kijkegem”, klucht in twee bedrijven. Het programma vermeldt voor de eerste maal “kapping van het huis Delvoye van Kortrijk”.

Van dan af worden jaarlijks twee vertoningen gegeven in den “Tap”, gewoonlijk een zwaar sociaal of familiaal drama, gevolgd door een boertige klucht in twee of drie bedrijven. Het ganse spektakel duurt maar eventjes 5 tot 6 uren. Waarlijk: toen kregen de mensen waar voor hun geld. De lievelingsauteurs van dien tijd waren; Lode Scheltjens, Nestor De Thiere en zoals hoger vermeld Palmer Putman.

1911 is weer een belangrijk jaar voor den toneelbond. Dan wordt hier als onderpastoor aangesteld E. H. Deschoolmeester. Van bij de eerste contactname met Kunstminnende Jeugd ontpopt hij zich als een bevoegd en hartstochtelijk toneelmens, met zeer moderne en vooruitstrevende ideeën wat betreft regie en enscenering. Seffens neemt hij het roer in handen en hij regisseert, grimeert, componeert bouwt en schildert decors, zorgt voor moderne petroleumverlichting en … beheert de financiën. Zijn voorliefde gaat naar gekostumeerde historische of bijbelstukken. Geen enkel toneelwerk bevredigt hem ten volle, want telkens herwerkt hij een of andere passage; bij sommige voegt hij zelfs een bedrijf bij of laat er een weg.

Wrijvingen

Deze totale omwenteling brengt enkele wrijvingen bij in den bond. Sommige leden kunnen zich daar moeilijk bij neerleggen. Het jaar daarop in 1912 ontstaat een scheuring. Verbrugge en enkele ouderen verhuizen met Kunstminnende Jeugd naar de “Schouwburg”, de bovenzaal van de toenmalige Maalderij Loosvelt, bij deze gelegenheid omvormen zij hun bond tot een gemengde groep, die bloeiende jaren gekend heeft en zich handhaafde tot 1928.

Ook E.H. Deschoolmeester blijft niet bij de pakken zitten. Met een groep beloftevolle jongeren werkt hij voort onder de naam “Vreugd in Deugd”. Hieruit vormt hij waarlijk zeer goede acteurs, dank zij zijn kundige leiding en… zijn ijzeren tucht. Zo gebeurde ’t eens dat een speler, die te laat kwam op een herhaling, welke nota bene de zondagnamiddag plaats had, door de regisseur onthaald werd op … een klinkende oorveeg. Den 12den januari 1913 komen ze een eerste maal voor ’t voetlicht met “De stomme Wees”, melodrama in drie bedrijven, met begeleiding van vol orkest, 28 spelers werken aan de opvoering mee in kostumering van de 17de eeuw. Volgt daarop als toemaatje: “De knepen en streken van Scapijn”, blijspel eveneens in drie bedrijven. Volgende jonge spelers hebben zich in die jaren verdienstelijk gemaakt in de jonge Toneelgilde “Vreugd in Deugd”: Georges, Marcel en Robert Van Poucke, Aime en Achiel Geeraert, R. Bayens, Julien De Buco, Georges En Emiel Claeys, Richard Terras, Georges Dewijn, Aime Fenaux, Richard Herman, Gerard Velghe, Gerard Cardon, kwamen later nog bij : Daniël Van Poucke, Julien Lanneau en Jules Cattelein. Onze oudste leden vertellen nog graag over die pioniersjaren en over de buitengewone bijval van opvoeringen als “De verloren Zoon” en andere, zodat wij mogen besluiten dat de jonge bond toen reeds een gunstige faam genoot.

Na het vertrek van E. H. Deschoolmeester in 1926 volgden enkele jaren van verminderde activiteit. Doch een nieuwe bloei ontstond onder de stuwende bezieling van de toenmalige proost Vermeersch.

Van deze periode was de opvoering van “Reyvaert de Tempelier” in 1930 zeker het hoogtepunt. Ter gelegenheid van deze vertoning was er een gans nieuwe toneelschikking en belichting. Als een der eersten uit de streek verbande de Moense toneelbond de “coulissen” naar de rommelzolder en bouwde het decor met gordijnen en blokken en gebruikte kleurlicht, in navolging van het toenmalige beroemde Vlaamse Volkstoneel.

Tot aan de tweede wereldoorlog werden elk jaar twee vertoningen gegeven, doch tot buitengewone prestaties kwam het evenwel niet. Na het uitbreken van de tweede wereldoorlog stond de activiteit van den bond op het vriespunt.

Invasie

In 1941 evenwel greep de invasie van de jongeren plaats. Een hele troep jonge mannen, vol enthousiasme en met zeer revolutionaire gedachten bezield, zouden trachten de schone slaapster weer wakker te schudden. Dit liep echter niet van een leien dakje, er was een ware staatsgreep nodig in de schoot van de bond. Na veel palavers kwam het eindelijk tot een vertoning op 8 februari 1942: “Het huis in de Delling”, dramatische schets in twee bedrijven, gevolgd door “De truc van Jim”, dolle klucht, eveneens in twee bedrijven. Deze vertoning was wellicht geen kunstprestatie, doch ze was de inzet van een nieuwe periode van bloei en werkkracht. Deze jonge mannen die zich “de sloebers” noemden, waren verbonden door een echte kameraadschap, zowel in als buiten de toneelgilde.

Een kameraadschap die, tot op heden ten dage stand houdt, niettegenstaande de levensomstandigheden, hen zowat overal rond verstrooid hebben. Hun activiteit bleef niet beperkt tot toneel alleen, er werd van alles aangepakt:

– de onvergetelijke Vredeskermis in 1945;

– het uitgeven van het Soldatenblad “’t Sloeberke”;

– het ombouwen van den ‘Tap’ in 1947 en de onvermijdelijk daarop volgende inhuldiging ervan;

– de viering van het 40-jarig bestaan van den bond in 1948, tezamen met de openluchtvertoning van “De kathedraal-bouwer” onder regie van E.H. Gilbert Libbrecht.

– het bouwen van het zaaltje of de “barakke” in 1949.

Sloebers

Als sloebers van het eerste uur vermelden we; Hilaire Defraye, Gaby en Gerard Gousseau, Berten Vlieghe, Gaby Lanneau, Gerard Breda, Staf Reynaert, Jozef Vanackere, Robert en Albert Soens, Robert Goemaere, Firmin Vandenbogaerde, Roger Orroi, Gaby Dewijn, Raf Claeys. Kwamen enkele jaren later nog bij : Jozef Terras, Herman Depraetere, Dees Breda, Lucien Vandenbulcke, Joris Vermaut en Joris Vergote.

Na enkele succesrijke opvoeringen begon het in de naoorlogse periode moeite te kosten om de zaal vol te krijgen. Allicht begonnen spelers en publiek het thema van de opgevoerde stukken wat eentonig te vinden. In bijna al deze drama’s hadden de vrouwen de spijtige gewoonte van, na hun man een hele hoop zonen geschonken te hebben, zeer jong te sterven. In de huizen van deze verbitterde weduwnaars met al hun zonen, en op de koop toe nog een oude zeurkous van een knecht, was het alles behalve gezellig. Onder de zonen was er schier altijd een slechte, een zieke en een goede, die al de meppen had op te vangen. In de eerste twee bedrijven zag men niets dan miserie, tot in het slotbedrijf alles terecht kwam: de slechterik kwam tot inkeer, de zieke genas; de goede werd beloond en de vader. . . neen, hij hertrouwde niet hoor, maar zag het leven plots in lichtere kleuren.

Gemengd

In 1948 werd de toneelbond hervormd tot een gemengde groep. Hendrik Sulmont nam de toneelleiding en het gehalte van de opvoeringen steeg met het jaar.

– In 1955 klasseerde “Vreugd in Deugd” zich in de tweede categorie van het A.W,T. met de opvoering van “En de bossen zingen hun lied”;

– In 1956 ging de kring plaats nemen in de eerste afdeling van de provinciale toneelkringen met de opvoering “De molen van Sans-Soucis”;

– In 1957 werd de kroon op het werk gezet, toen met de opvoering van “Het offer van Aart Donus”, Vreugd in Deugd opgenomen werd in de Ere-afdeling van de West-Vlaamse Toneelkringen;

– In 1958 bevestigde Moen deze klassering met de opvoering van “Hernomen Dialoog” en nam plaats naast kringen uit Menen, Brugge, Oost-Roosbeke, Torhout, Knokke, Roeselare en andere.

50 jaar

Thans in 1959 bestaat de Toneelgilde min of meer 50 jaar… Het is de gewoonte dat zulke gebeurtenis met veel luister wordt gevierd. Mocht het in de eerste plaats echter hulde zijn aan al dezen die in den loop van al die jaren, onbaatzuchtig hun beste krachten hebben gewijd aan den groei en de ontwikkeling van den bond.

Ze hebben zeer zeker in ruime mate meegewerkt aan de culturele ontwikkeling van ons Vlaamse volk. Mocht het tevens een prikkel zijn voor de jongeren, die intussen de rangen hebben aangevuld om met jong enthousiasme deze vijftigjarige traditie voort te zetten.

BRON: Artikel uit brochure ter gelegenheid van viering, tentoonstelling, enz.