Vlasbewerking
A. ALGEMENE BEWERKING EN GEBRUIKSVOORWERPEN
1. Ploegen met de “jimille”,
2. Breken met de zevenscharre ofte “extripateur”;
3. Fijnen: met de egge;
4. Rollen:
5. Eggen: met de egge;
6. Zaaien: met de hand.
7. Toerollen: (in droogte).
B. HET ZAAIEN
Voor het zaaien van het vlas werd er een speciaal gebed gezegd. De zaaier had een groot kleed in de vorm van een voorschoot “zaaischort” aan waar een twintigtal kilogram zaad in kon. Dit zaad werd dan gelijkmatig over de akker uitgestrooid. De rechte lijn werd aangeduid op het einde van de “parti” met een “vork”. Deze methode werd gebruikt tot in de jaren 1924/25, later werd er gezaaid met de machine, op 10 cm. van elkaar.
C. BEWERKINGEN
Als het vlas 3 a 4 cm. hoog was, werd er begonnen met het “kruien”(= het onkruid verwijderen), wanneer het vlas geel begon te worden en de zaadbollen volmaakt, was het rijp en gereed om te slijten ( = uittrekken met de hand) – later met de slijtmachine. Na het slijten werd het in “hagen” gezet.
Na enkele dagen droogte werd het vlas gebonden cn in “bundels,, gezet en daarna in “mijten” = het stapelen van het vlas, bundel op bundel met de zaadtoppen “hippies” langs buiten en gedekt met stro.. Na enkele weken drogen in de “mijten” werd het vlas binnengehaald voor verdere bewerking.
Het vlas werd dan gereept “geboten”, vroeger met de handhamer (“boothamer” = kromme steel van 1,20 meter hoog op een blok hout van 15 cm. op 30 cm – 7 cm. dikte, later werd er geboten met de machine = boothamers- machines 4-6-8 hamers).
Dan werd het kaf gescheiden van het zaad door een “van molen”.
Vroegere jaren werd ook groen vlas gesleten tot rond de jaren 1900 en werd na gebonden te zijn in bundels in het water gedompeld voor enkele dagen. Als het ge- noeg “geroot” was, werd het uit de putten gehaald en gedroogd in de weide.
Dan hebben we ook nog het veldvlas, “velten”, mindere kwaliteit, na geroten op het veld gevoerd en uitgespreid in rijen en volgens de weersgesteldheid laten liggen tot het “groot” was (in ongeveer 3 a 4 weken). Dan werd het opgeraapt, in ‘ kapellekes” gezet tot het weer droog was, in bundels gebonden en weer naar de schuur gehaald voor de verdere bewerkingen.
A. HET WIEDEN OF “KRUIEN ” VAN HET VLAS
Met 10 a 20 vrouwen en kinderen in een rij, die, zittende op de knieën het onkruid uittrokken over de breedte van het veld. Het onkruid werd in manden verzameld en uit het veld gedragen. Er werd gezongen, gebeden en moppen verteld onder het wieden.
B. HET VLAS IN HAGEN ZETTEN
Twee mannen aan weerskanten van een haag om ze aan te vullen. Deze werden met ‘handvollen” aangegeven door kinderen, “pootjesgevers” genaamd.
C. HET SLIJTEN MET DE HAND
Het vlas werd uitgetrokken met “stressen” en zo bij elkaar gebracht tot kleine “poten”, deze ‘top’ en ‘tis’ geschrankt, in rijen gelegd na iedere “slijter”. Iedere slijter had zo een 3 meter breedte en zo stonden er
dikwijls vijf tot tien slijters naast elkaar. Er werd “gesleten” naar de ligging van het vlas. Ook werden onkruidplanten verwijderd gedurende het slijten.
A. HET HAGEN
Na het slijten werd het vlas in hagen gezet. Deze hagen zijn de bundels, rechtgezet met de toppen tegen elkaar tot de hagen een drie tot vier meter lang waren en aan iedere zijde de laatste drie bundels aan de top samengebonden werden met enkele stengels vlas.
B. HET KAF
Het kaf werd verkocht aan kafhandelaars en werd gebruikt in veevoeders . Het gewoon zaad werd verkocht aan olieslagerijen, de beste soorten zaad werden verder schoongemaakt en gezuiverd door een specialist (= zaadschoonmaker, met een “lijnzaadseven”, waar de afval-kruitzaad eruit verwijderd werd. Dit zaad werd gebruikt voor zaaizaad.
C. VLASZIEKTEN BIJ HET GROEIEN
– Vei vlas: was groen, te veel stikstof, veel lemen, slecht vlas;
– krom vlas: bij vele onweders krom gegroeid;
– sprietel : bij hagelvlagen, top van het vlas uitgeslagen en bijscheuten, verschillende stengels op dezelfde wortel;
– ginstetop :veel voorkomend. In de schaduw groeiend vlas dat niet volledig tot ontwikkeling kwam en geen zaad of bast op de vlasstengels heeft.
D. ONGEDIERTE, INSECTEN
– mollen : die het groeiende vlas uit de grond steken;
– springers: kleine zwarte kevertjes, die de vlastoppen beschadigen en het gewas volledig vernietigen.
ONS OVERGEMAAKT DOOR DE HEER DANIEL ROMMENS (MOEN) GEWEZEN VLASHANDELAAR (familiebedrijf), TOT 1944 EN VERDERGEZET DOOR DE TWEE OUDERE BROERS VAN BOVENGENOEMD PERSOON TOT 1965.