Voorrede 1863 van Frans de Potter

Het was in ’t begin der Maend augusty dat wy Moen bezochten. Wy volgden te voet de schoone baen van Kortryk, over het fraeije dorp Zwevegem, en van hier glooit de weg zachtjes op naer Moen, tusschen de bekoorlykste en weelderigste landeryen die men in het zo mild door de natuur gezegend Vlaenderen kan aentreffen; de warme oogstzon scheen in haren vollen middagglans over die heuvelachtige streek, en verhoogde nog de prachtige goudkleur van de rypende tarwe, die hier zo weelderig wast. Overal was het vlytige landvolk aen den veldarbeid, of vergezelde al zingend de rykbevrachte wagens naer de schuer. Een grootsch panorama doet zich tusschen Zwevegem en Moen voor de blikken des wandelaers op: regts ontwaert men, op een geringen afstand, het dorp Sint-Denys, liggende op eene groote verhevenheid; links, aen den gezigteinder, teekent zich op het azuer der lucht de berg- en boschryke streek van Ostvlaendersche grensland, met de dorpen Ruijen en Quaremont, aen de eene – Tiegem en Ootegem aen de andere zyde, op de helling; en in de diepte Heestert, Avelgem en Ingoygem.

Tusschen het donkergroen der boomen schitterde de goudkleur van het tot de pikking gereede koren, van de strooijen daken der boerenstuipen en schuren, en de grauwe spitsen der kerktorens, midden eene groep woningen. In dit jaergetyde vooral, even als in de bloeimaend, biedt dit gewest een overheerlyk zicht aen door dien rykdom der natuer, zoo zeer in overeenstemming met de rustelooze bedryvigheid der bewoners, en voorzeker zal gansch deze schoone streek nog meer leven en bloei bekomen, mag eens de ontworpen spoorweg van Kortryk naer Brain-Le-Comte, langs Moen, over Ronse, Edingen, enz., in uitvoering komen. Wy wenschen het voor Moen, welke wreedzame en vlytige bevolking niet langer van de voorname plaetsen der voortbrengst en des handels, vooral in het Henegouwsche, afgezonderd, en aldus van hare nyverheid eene nooit gekende ontwikkeling zal zien nemen.

FRANS DE POTTER,

Voorrede in “Historische Schets der Gemeente Moen, voortydes de Heerlykheid Mouwe.”

Gedrukt te Gent.
Ten jare achttien honderd drie-en zestig.